Het begint altijd rustig.
Met papier dat wordt rechtgelegd. Met stempels die droog op papier neerkomen. Met een handtekening onder een document dat er onschuldig uitziet. Routineus. Zakelijk. Correct.

Tot papier een wapen wordt.
En een vonnis een misdaad.
Welkom in het houtdossier.

Wie dit leest als een juridisch meningsverschil, mist de essentie. Dit is geen botsing tussen beleid en uitvoering. Geen klassiek conflict tussen overheid en bedrijfsleven. Wat hier gebeurt, speelt zich dieper af, onder de oppervlakte van procedures en paragrafen. Hier wordt iets geëist wat niet geëist mág worden: dat de Staat bewust liegt. En wie vervolgens weigert die leugen strafrechtelijk te onderzoeken, wordt onderdeel van hetzelfde mechanisme.

Dat is geen retoriek. Dat is geen journalistieke overdrijving.
Het is de conclusie van de advocaat van de Staat zelf.

Advocaat Diepak Jairam zei het zonder omhaal. Zonder verzachting. De kortgedingrechter heeft Suriname veroordeeld tot een criminele handeling die juridisch neerkomt op het plegen van een misdrijf. Geen beeldspraak. Geen interpretatie. Een misdrijf.

De Staat moest opnieuw fytosanitaire certificaten afgeven. Geen interne memo’s. Geen vrijblijvende formulieren. Maar internationaal erkende, authentieke documenten, bedoeld om de waarheid vast te leggen over wat het land verlaat. Op die documenten moest opnieuw worden vermeld: Mora roundlogs. Terwijl iedereen wist — in de rechtszaal, in het ministerie, in de sector — dat het hout geen mora was.

Dit was geen vergissing.
Geen beleidskeuze.
Geen grijs gebied.

Dit was het bewust vastleggen van een onwaarheid.
En het meest verontrustende: de rechter wist het.
Door Mora - een goedkoop houtsoort - op te brengen konden dure houtsoorten, zoals mahonie, India binnengesmokkeld worden.

Tijdens de zitting werd het hardop uitgesproken. Als het hout correct wordt benoemd, kan export naar India niet plaatsvinden. Dat werd erkend. Vastgesteld. Genoteerd. De waarheid lag op tafel. En toch, alsof die waarheid plotseling hinderlijk werd, volgde een dag later het vonnis. Op oudjaarsdag. Met een dwangsom van één miljoen per uur. Doe het nog een keer.

Alsof het recht zelf even wegkeek.
Alsof iemand zei: “Dit weten we allemaal, maar we doen het toch.” En omdat op oudjaar om 12.00 uur alles gesloten was, kon er niet eens opschorting van het vonnis worden gevraagd. 

Maar het verhaal eindigt daar niet.

Parallel aan dit civiele geweld probeerde het ministerie van LVV te doen wat van een rechtsstaat mag worden verwacht. Aangifte doen. Niet tegen buitenstaanders, maar tegen de eigen voormalige leiding. Tegen ambtenaren die certificaten ondertekenden terwijl zij wisten dat die niet klopten. Tegen mensen die geen fout maakten, maar een keuze.

Die aangifte werd niet aangenomen.

Te gevoelig.
Politiek gevoelig.
Al bij de rechter geweest.
Niet wenselijk.

Wat wél werd aangenomen, was één aangifte tegen één houtbedrijf. Niet eens één van de zes exporteurs die de Staat voor de rechter hadden gesleept. Eén. Laat die scheefgroei even bezinken.

De Staat wordt door een rechter gedwongen om een strafbaar document af te geven.
Maar wie binnen de Staat mogelijk bewust die documenten vervalste, verdwijnt uit beeld.

Geen registratie.
Geen aangiftebewijs.
Geen strafrechtelijk spoor.

Dit is geen misverstand. Geen communicatiefout. Dit is selectieve blindheid. En selectieve blindheid is dodelijk voor een rechtsstaat.

Want wat wordt hier langzaam normaal gemaakt? Dat fouten die lang genoeg bestaan, een recht op voortzetting krijgen. Dat economische schade zwaarder weegt dan strafrecht. Dat een rechter mag dwingen tot handelen dat hij zelf als onrechtmatig herkent. En dat het Openbaar Ministerie bepaalt welke waarheid onderzocht mag worden — en welke niet.

Dat is geen rechtszekerheid.
Dat is machtszekerheid.

Advocaat Jairam wees daar tijdens de zitting expliciet op. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur houden op waar misdrijven beginnen. Bij misdrijven is er geen belangenafweging. Geen redelijkheidstoets. Geen ja, maar. Dan geldt één regel: stoppen.

Niemand kan worden veroordeeld om een misdrijf te plegen. Ook de Staat niet. Niet omdat iemand anders anders geld verliest. Niet omdat er al is geïnvesteerd. Niet omdat het “altijd zo ging”.

Wie dat accepteert, accepteert dat geld het recht buigt.
En dan wordt de rechtsstaat een decorstuk. Iets wat er nog wel uitziet als recht, maar niet meer corrigeert.

Het is daarom geen detail dat LVV nu de procureur-generaal moet aanschrijven om te vragen waarom een aangifte niet is aangenomen. Dat is geen administratief ongemak. Dat is een noodsignaal.

Want een land waarin aangifte tegen de macht wordt geweigerd, maar tegen wie eronder valt wel wordt geregistreerd, heeft geen houtprobleem.

Het heeft een waarheidsprobleem.

Dit dossier is geen houtdossier meer.
Het is een thriller over druk, angst en institutioneel falen.
Een verhaal waarin rechters, aanklagers en bestuurders elkaar gevangen houden in een constructie die niemand durft te stoppen.

Maar iemand móét stoppen.

Want als dit kan, kan alles.
Dan wordt vervalsing beleid.
Dan wordt stilte strategie.
Dan wordt het vonnis zelf de misdaad.

En dan is de enige vraag die overblijft:   
wie durft nog te zeggen — hier houdt het op.

Nita Ramcharan