Wat zich rond de export van rondhout naar India heeft afgespeeld, is geen incident. Het is een systeemfout die nu zichtbaar is geworden, nadat minister Mike Noersaliem van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) eindelijk de regels probeerde te handhaven. En precies dáár wringt het. Toen duidelijk werd dat houtexportbedrijven zonder te voldoen aan de nationale en internationale normen hout exporteerden, richtte de minister op 27 oktober 2025 een waarschuwende brief aan alle houtbedrijven, met de duidelijke bekendmaking dat wanneer zij niet voldoen aan de eisen, er geen vereiste fytosanitaire certificering zal worden afgegeven door LVV. 

Zes houtbedrijven presenteren zich als slachtoffers van dit ‘plotseling overheidsoptreden’. Alsof zij met de brief van de minister onverwacht geconfronteerd werden met nieuwe eisen. Dat is juridisch en feitelijk onhoudbaar. Fytosanitaire certificering is niet een beleidsvlaag van een toevallige minister, maar een wettelijke verplichting die voortvloeit uit nationale regelgeving én internationale verdragen. Wie al jaren exporteert, weet dat. Wie dat ontkent, doet alsof de wet pas geldt wanneer zij expliciet opnieuw wordt aangekondigd.

De brief van het ministerie was geen introductie van nieuwe regels, maar een expliciete waarschuwing, om naleving van regels af te dwingen. Dat is iets fundamenteel anders. In een rechtsstaat kan een ondernemer geen beroep doen op ‘voortgang van zaken’ wanneer hij weet, of behoort te weten, dat zijn product niet aan de voorwaarden voldoet. Dat geldt voor hout, vis, rijst, goud en elk ander exportproduct.

De kernvraag is daarom niet waarom Noersaliem de regels handhaafde, maar waarom dat eerder blijkbaar níét gebeurde. Als het klopt dat dit hout niet voldeed aan de vereisten, en eerdere exporten wel certificering kregen, dan is de conclusie onontkoombaar: óf er werd structureel weggekeken, óf er werd actief meegewerkt aan overtreding van de regels. In beide gevallen is dat ernstig. Want waar structureel regels worden omzeild, ontstaat ruimte voor corruptie, belangenverstrengeling en politieke beïnvloeding.

Dat brengt ons bij het meest zorgwekkende element; de rechterlijke interventie. De kantonrechter heeft zich niet uitgesproken over de kern van de zaak, namelijk of het hout voldeed aan de wettelijke eisen, maar liet zich leiden door het argument van onomkeerbare schade. Met andere woorden; het feit dat het hout al onderweg was en dat financiële claims dreigden, woog zwaarder dan de naleving van wet- en regelgeving.

Dat is juridisch gevaarlijk. Want hiermee wordt een pervers signaal afgegeven: wie snel genoeg handelt, regels negeert en vervolgens met schadeclaims zwaait, kan de Staat dwingen tot legalisering achteraf. Dat is geen rechtsbescherming, dat is rechtsvervorming. De wet wordt dan geen norm, maar een hinderpaal dat met kapitaal en timing kan worden gesloopt.

De gevolgen reiken veel verder dan de houtsector. Wat betekent dit voor andere exportsectoren? Voor rijstexporteurs die wél investeren in certificering? Voor visverwerkers die internationale audits doorstaan? Voor goudbedrijven die worstelen met compliance-eisen? Voor groente exporteurs die zich aan strenge Europese standaarden moeten houden Waarom zou men zich nog strikt aan regels houden als precedenten laten zien dat overtreding loont?

Maar de echte schade ligt op strategisch niveau. Suriname staat aan de vooravond van grootschalige olie- en gasproductie. In die sector draait alles om certificering, compliance en local content. Surinaamse bedrijven zullen moeten aantonen dat zij voldoen aan internationale standaarden op het gebied van veiligheid, milieu, kwaliteit en governance. Geen papieren werkelijkheid, maar aantoonbare naleving.

Hoe geloofwaardig is Suriname als wij intern accepteren dat certificaten onder druk worden afgedwongen? Hoe overtuigend is ons verhaal richting internationale partners en investeerders als regelgeving onderhandelbaar blijkt voor wie machtig genoeg is? In de olie- en gasindustrie is reputatie alles. Één beeld van een land waar regels buigzaam zijn, kan miljoeneninvesteringen kosten en lokale bedrijven buitenspel zetten.

Dit is daarom geen zaak tussen zes houtbedrijven en de Staat. Dit is een maatschappelijk onrecht waarin economische macht het recht gijzelt. Waar invloedrijken zich boven de wet plaatsen en erger nog, de wet naar hun hand laten zetten. Als de Staat hier geen duidelijke lijn trekt, politiek én juridisch, dan legitimeren we een economie waarin naleving optioneel is en integriteit ondergeschikt aan druk.

Als De Nationale Assemblee geen parlementair onderzoek instelt en het Openbaar Ministerie nalaat te toetsen of hier sprake is van strafbare feiten, dan bevestigen zij dat in Suriname kapitaal zwaarder weegt dan recht. En dat is geen bestuur meer, maar georganiseerde wetteloosheid.

Wilfred Leeuwin