De Surinaamse Politiebond heeft krachtig geprotesteerd tegen de wijze waarop een overleg tussen de korpsleiding en het hoofdbestuur van de bond woensdag abrupt is beëindigd. Volgens de bond is daarmee het sociaal overleg ernstig onder druk komen te staan. In een brief aan korpschef Melvin Pinas spreekt bondsvoorzitter Revelino Eijk van een “ernstig incident” dat schadelijk is voor de institutionele verhouding tussen de korpsleiding en de vakorganisatie.

Volgens de bond ontstond tijdens het overleg op woensdag 6 mei discussie over de aanwezigheid van een bestuurslid van de bond dat momenteel buiten functie is gesteld in verband met een lopend onderzoek. De korpsleiding heeft daarop het standpunt ingenomen dat het betreffende bestuurslid niet gerechtigd was deel te nemen aan het overleg namens de bond. Nadat hierover geen overeenstemming werd bereikt, werd de vergadering voortijdig beëindigd en verlieten leden van de korpsleiding de vergaderruimte.

De bond stelt dat hierdoor belangrijke onderwerpen die betrekking hebben op de belangen van politieambtenaren en de organisatie onbesproken zijn gebleven. Volgens Eijk is het abrupt verlaten van het overleg niet bevorderlijk voor een volwassen en constructieve arbeidsrelatie tussen beide partijen.

In de brief benadrukt het bestuur dat het betrokken bestuurslid aanwezig was in diens hoedanigheid van democratisch gekozen vertegenwoordiger van de vakorganisatie en niet als politieambtenaar. De bond stelt dat het bepalen van de samenstelling van zijn delegatie uitsluitend een bevoegdheid van de vakorganisatie zelf is.

Verder wijst de bond op artikel 4 van de Wet Vrijheid Vakvereniging van 15 december 2016, waarin onder meer is vastgelegd dat werkgevers geen discriminerende maatregelen mogen treffen tegen bestuursleden of vertegenwoordigers van een vakvereniging. Volgens de bond heeft de handelwijze van de korpsleiding de indruk gewekt dat het bestuurslid ongelijk of beperkt wordt behandeld vanwege diens vakbondsfunctie.

De Surinaamse Politiebond stelt verder dat verschillen van inzicht binnen het overleg besproken hadden kunnen worden, zonder dat het volledige overlegproces hoefde te worden afgebroken. De bond spreekt van een ernstige verstoring van het sociaal overleg en van een situatie die niet bevorderlijk is voor gezonde arbeidsverhoudingen, wederzijds institutioneel respect en constructieve samenwerking.

Volgens Eijk heeft de bond de korpsleiding eerder gewezen op het belang van wederzijds respect, communicatie en institutionele bejegening binnen de relatie tussen de bond en de korpsleiding. De bond verwacht daarom dat toekomstige overlegmomenten opnieuw zullen plaatsvinden in een sfeer van professionaliteit, respect en dialoog.

De protestbrief is eveneens in afschrift gestuurd naar minister Harish Monorath van Justitie en Politie.