Terwijl raketten en drones opnieuw over de Straat van Hormuz vliegen, wordt ons via de media een bekend verhaal voorgehouden: veiligheid, afschrikking en vermeende existentiële dreiging. Iran is opnieuw de boosdoener, de Verenigde Staten de onmisbare stabilisator. Maar wie even voorbij het militair spektakel kijkt, ziet iets anders. Deze escalatie is geen ontsporing van de geschiedenis, maar een winstmodel dat opnieuw perfect functioneert.

De Straat van Hormuz vervoert ongeveer een vijfde van de wereldwijde olieproductie. Elke dreiging, elk incident, elke raket heeft een onmiddellijk en voorspelbaar effect: stijgende olieprijzen. Dat zagen we deze week opnieuw, met prijsstijgingen van meer dan vijf procent. Dit is geen bijwerking van het conflict, dit is het economische hart ervan.

Oorlog als economische motor

Oorlog veroorzaakt geen universele economische schade. Ze herverdeelt rijkdom. Terwijl gezinnen wereldwijd geconfronteerd worden met duurdere brandstof, inflatie en verstoorde toeleveringsketens, boeken specifieke sectoren recordwinsten. Energiebedrijven, defensiecontractanten en de wapenindustrie varen er wel bij. De aandelenmarkten reageren niet nerveus, maar optimistisch. Dat is geen toeval.

De Verenigde Staten zijn intussen de grootste olieproducent ter wereld. In tegenstelling tot vroegere tijden schaadt instabiliteit in het Midden-Oosten hun economie niet fundamenteel – ze profiteren ervan. Hoge olieprijzen versterken Amerikaanse energiebedrijven, terwijl militaire escalatie de vraag naar wapens en defensietechnologie verder aanjaagt. Oorlog is hier geen laatste redmiddel, maar een rendabele strategie.

Het vertrouwde script van demonisering
Om dit model politiek verteerbaar te maken, is een narratief nodig. Dat narratief kennen we intussen goed. Iran wordt afgeschilderd als agressor, als nucleaire dreiging. Maar wie het historische geheugen opentrekt, ziet een ander beeld. Iran heeft sinds de 19de eeuw geen offensieve veroveringsoorlogen gevoerd. Zijn militaire acties in de moderne tijd waren reacties binnen regionale conflicten of vormen van afschrikking.

Daartegenover staat een lange geschiedenis van buitenlandse militaire interventies door westerse machten, met name de Verenigde Staten. Toch wordt die context zelden vermeld. Net zoals bij Irak in 2003 overheerst opnieuw een selectieve verontwaardiging, ondersteund door mediakaders die complexe economische belangen reduceren tot morele zwart-witbeelden.

Kernenergie: veiligheid of economie?
Ook het nucleaire dossier past naadloos in deze logica. Iran stelt – en kreeg daarin jarenlang bevestiging van internationale inspecties – dat zijn nucleaire programma gericht is op civiele energieproductie. Dat vormt een fundamentele bedreiging, maar niet om de reden die doorgaans wordt aangehaald. Civiele kernenergie ondermijnt de macht van het fossiele energiemodel, waarin enorme kapitalen, lobby’s en geopolitieke invloed geconcentreerd zijn.

Met andere woorden: wat als "veiligheidsrisico" wordt verkocht, is in werkelijkheid vaak een economische bedreiging voor gevestigde belangen. Energie moet schaars, controleerbaar en geopolitiek inzetbaar blijven. Een grootschalige verschuiving naar onafhankelijke energieproductie – nucleair of anderszins – past daar niet in.

Wie betaalt de rekening?
Zoals altijd zijn het niet de naties of hun bevolkingen die winnen. Het zijn aandeelhouders, lobbyisten en oorlogseconomieën. De rekening wordt elders betaald: door gezinnen die meer betalen voor energie, door kleine landen die geen stem hebben in dit machtsspel, door regio’s die ver van het conflict liggen maar wel de economische gevolgen dragen.

De Straat van Hormuz is vandaag geen strijdtoneel om vrede of stabiliteit, maar een financiële hefboom. Zolang oorlog winst oplevert en destabilisatie rendeert, zullen diplomatie en vrede telkens weer ‘te vroeg’ komen.
Misschien is de juiste vraag dus niet: hoe stoppen we Iran?
Maar: wie heeft er belang bij dat deze oorlog niet stopt?

Jef Crab / planetair burger en mondiaal humanist