De Surinaamse politieke praatcultuur, vaak gevoerd in een stevig en soms verhit klimaat, is mij van jongs af aan niet onbekend. Als jongen van acht jaar liep ik in alle vroegte, om half zes in de ochtend, samen met mijn moeder naar de markt om fruit, loten en kranten te verkopen en om acht uur normaal op school te zijn, dag in dag uit.

Op de hoek van de Jodenbreestraat en de Waterkant trof ik dagelijks de zogenoemde wijze moesjes en oudere mannen, die zich daar eveneens verzamelden met hun straathandel. Tijdens het drijven van die handel werd tussendoor vaak gesproken over politiek als geliefd dagelijks onderwerp. Ik herinner mij levendig hoe de naam van de legendarische Jopie Pengel viel. “A man e taki bun furu,” zei de één; hij sprak veel. “Ma fu san a man ben e taki?” vroeg een ander; waar sprak hij eigenlijk over? Het antwoord was even veelzeggend als humoristisch: “Baya mi no sabi moro san a man ben e taki, mi ben djonko, baka dati a man ben e taki ete.” Vrij vertaald: “Ik sluimerde, nadien was hij nog steeds aan het woord.”

Deze anekdote typeert een diepgeworteld fenomeen: spreken als politieke prestatie. Feit is dat deze wijze ouderen van de straat mij mede intellectueel gevormd hebben. Naarmate ik ouder werd, drong het besef tot mij door dat parlementariërs in Suriname vaak uitblinken in langdurig spreken. Het leek soms een wedloop: wie het langst het woord kon voeren, was het meest succesvol. De inhoud, en vooral de vraag hoe plannen daadwerkelijk gerealiseerd konden worden, raakte daarbij ondergeschikt. Deze vroege indrukken hebben mijn latere belangstelling voor politiek en bestuur blijvend gevormd. Tijdens mijn studiejaren in Nederland werd die interesse verder verdiept en verbreed. De vraag die mij sindsdien in toenemende mate bezighoudt, is niet hoe er over politiek wordt gesproken, maar hoe politieke voornemens worden omgezet in concreet bestuurlijk handelen.

Mijn actieve politieke tijd
In mijn bestuurlijke en politieke loopbaan heb ik mij daarom nadrukkelijk gericht op wat men kan aanduiden als de bestuurskracht van het openbaar bestuur, in het bijzonder op de vraag hoe deze systematisch gemonitord en versterkt kan worden. Juist in Suriname openbaart zich hier een fundamenteel probleem. Het land kent geen gebrek aan plannen, visies of beleidsvoornemens. Integendeel, het barst van de politieke intenties. Wat echter structureel achterblijft, is de daadwerkelijke realisatie daarvan. Het contrast tussen politieke ambitie en bestuurlijke uitvoering vormt daarmee de kern van het vraagstuk. Tegen deze achtergrond is de ontwikkeling van een bestuurskrachtmonitor geen academische exercitie, maar een bestuurlijke noodzaak.

Van plannenland naar uitvoeringsstaat
Suriname kan met recht worden getypeerd als een plannenland. Beleidsvoornemens worden met grote regelmaat geformuleerd, vaak voorzien van ambitieuze algemene doelstellingen en retorisch krachtige formuleringen. Maar tussen papier en praktijk gaapt een structurele kloof. Neem de decentralisatiegedachte. Al sinds de jaren tachtig wordt gesproken over versterking van de regionale bestuurskracht. De Wet Regionale Organen had een fundament moeten leggen voor lokale autonomie en participatie. In de praktijk is die belofte nooit volledig ingelost. Decennia later is de bestuurlijke inrichting nog steeds hybride, onduidelijk en in belangrijke mate afhankelijk van centrale aansturing.

Hetzelfde geldt voor transparantie. Discussies over een wet openbaarheid van bestuur zijn herhaaldelijk gevoerd, maar daadwerkelijke implementatie blijft uit. Daarmee ontbreekt een essentieel instrument voor publieke controle en vertrouwen in het bestuur. Ook de aansturing van parlementaire debatten verloopt soms chaotisch. “Tapu yu mofo” (houd op met spreken), repte een DNA-voorzitter. Doe je dat niet, dan laat ik je door de politie uit de vergaderzaal verwijderen, wat ook daadwerkelijk gebeurde.

Deze voorbeelden staan niet op zichzelf. Zij illustreren een patroon: politieke wil wordt wel uitgesproken, maar onvoldoende vertaald in werkbare, uitvoerbare, meetbare en afdwingbare stappen.

Wat is een bestuurskrachtmonitor?

Een bestuurskrachtmonitor is een instrument dat de prestaties van het openbaar bestuur systematisch in kaart brengt. Niet op basis van intenties, maar op basis van concrete resultaten. Het gaat daarbij om vragen als:

• Worden beleidsdoelen daadwerkelijk gerealiseerd?
• Binnen welke termijn gebeurt dat?
• Welke middelen worden ingezet en met welk effect?
• Waar treden knelpunten op in de uitvoering?

Een dergelijke monitor maakt het mogelijk om bestuurlijk handelen transparant en toetsbaar te maken. Zij dwingt tot scherpte in beleidsformulering en discipline in uitvoering. Maar bovenal doorbreekt zij de vrijblijvendheid die nu vaak kenmerkend is voor het politieke proces. Verdere stappen van de bestuurskrachtmonitor komen in vervolgartikelen aan de orde.

Voorlopige conclusie
De tijd van uitsluitend spreken over beleid moet voorbij zijn. Suriname heeft behoefte aan een bestuurlijke omslag: van intentie naar realisatie, van retoriek naar resultaat. Een bestuurskrachtmonitor kan daarin een sleutelrol vervullen. Niet als wondermiddel, maar als essentieel instrument om het bestuur te disciplineren, te transpareren en te versterken.

De vraag is niet of Suriname plannen kan maken. Die capaciteit is ruimschoots aanwezig. De vraag is of het land bereid is zichzelf langs de meetlat van uitvoering te leggen. De tijd van praten is voorbij. De tijd van meten is aangebroken. Daar ligt de echte test van bestuurskracht.

Dr. Headly R. Binderhagel