President Jennifer Simons en de Indonesische ambassadeur Prabawo Subianto brengen een toost uit.
Bij de viering van 80 jaar Indonesische onafhankelijkheid heeft de Indonesische ambassade in Suriname stilgestaan bij de hechte banden tussen beide landen, ontstaan uit de Javaanse immigratie. President Jennifer Simons en DNA-voorzitter Ashwin Adhin waren gisteren ook aanwezig bij de feestelijke receptie.

Na meer dan drie eeuwen kolonialisme riep Indonesië op 17 augustus 1945 zijn merdeka (vrijheid) uit. Met het voorlezen van de proclamatie verklaarde Soekarno namens het volk de ‘Republiek Indonesië’ en brak voorgoed met de naam ‘Nederlands-Indië’. Nederland erkende deze proclamatie niet, maar moest onder internationale druk twee jaar later Indonesië staatkundig loslaten.

De onafhankelijkheid kende een bloedige weg, met veel offers van het volk. Het nationalisme van de archipel toonde zich strijdvaardig en verenigd, met leiders als Soekarno en Hatta in de voorhoede. Het Bahasa Indonesia vond zijn wortels in de nationalistische beweging van enkele decennia vóór de onafhankelijkheid en werd bij de onafhankelijkheid officieel de nationale taal. Soekarno werd de eerste president. Indonesië kreeg de onafhankelijkheid niet cadeau, maar dwong die af met strijd. Sindsdien wordt jaarlijks de zelf uitgeroepen vrijheid herdacht met een officiële ceremonie waarin de proclamatie wordt voorgelezen en elke burger wordt herinnerd aan de offers en de geleverde strijd — dit jaar dus voor de tachtigste keer.


President Prabowo Subianto leidde de officiële ceremonie van 80 jaar onafhankelijkheid vanuit het Merdeka-paleis in Jakarta, na het hijsen van de Bendera Merah-Putih (rood-witte vlag), gevolgd door de parade van de strijdkrachten. Daags daarvoor sprak hij het parlement toe en presenteerde trots dat Indonesië, naast het voorzien in de nationale behoefte, opnieuw een rijst-exporterend land is.

Met de komst van de Indonesische contractarbeiders naar Suriname is een onlosmakelijke familieband ontstaan tussen beide landen. Indonesië was dan ook een van de eerste landen die diplomatieke betrekkingen aanging met de Republiek Suriname, met een zichtbare ambassade en een levendige bilaterale samenwerking. In maart van dit jaar werd de Djaran Kepang op gezamenlijk voorstel van Indonesië en Suriname opgenomen door UNESCO als immaterieel cultureel erfgoed.

Gisteren vond in Suriname de officiële receptie plaats ter ere van 80 jaar onafhankelijkheid, georganiseerd door de Indonesische ambassade. Ambassadeur Agus Priono stond in zijn toespraak stil bij de Javaanse immigratie en de gedeelde culturele aspecten van de relatie tussen Suriname en Indonesië. Hij noemde onder meer de gotong royong, de roekoen en de gastronomie. Zo vertelde hij dat de roze dawet niet in Indonesië te vinden is, omdat dit een Javaans-Surinaamse variant is. Verder kondigde hij de Indofair in oktober aan en benadrukte hij dat Indonesië studiemogelijkheden biedt aan Surinamers in de olie- en gassector.

De Surinaamse regering was goed vertegenwoordigd, met president Jennifer Simons en diverse ministers. Ook DNA-voorzitter Ashwin Adhin gaf acte de présence. In haar felicitatieboodschap sprak president Simons de wens uit de relatie tussen beide landen verder te verdiepen, waarbij het gedeelde verleden en de Javaanse immigratie als familieband worden ervaren.

Ter inluiding van 50 jaar diplomatieke relaties tussen Suriname en Indonesië sloeg de ambassadeur driemaal op de speciale gong. De Javaanse keronchongband en heerlijke Javaanse versnaperingen zorgden voor een feestelijke sfeer. Op naar 81 jaar Merdeka!

Aashna Kanhai