De behandeling van vier initiatiefwetten, waaronder drie die betrekking hebben op wijzigingen in de rechterlijke organisatie, staat vandaag op de agenda van De Nationale Assemblee. Assembleelid Krishna Mathoera (VHP) stelt dat aan deze drie initiatiefwetten “politieke intenties ten grondslag liggen die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aantasten. Die onafhankelijkheid is juist essentieel in een democratische rechtsstaat. Het ondermijnt het vertrouwen van burgers in de rechtspraak en de stabiliteit van onze instituten.”

Volgens Mathoera zijn de instelling en inrichting van de drie staatsmachten – de rechterlijke, uitvoerende en wetgevende macht – fundamentele staatsrechtelijke keuzes. Deze zijn verankerd in de Grondwet, die in 1987 via een referendum door het volk is goedgekeurd. “Wij hebben toen gezamenlijk gekozen voor een democratische rechtsstaat, waarin de hoogste macht bij het volk ligt en de drie machten onafhankelijk van elkaar functioneren en elkaar controleren,” aldus de parlementariër. Wijzigingen in deze instituties dienen volgens haar zorgvuldig, goed gemotiveerd en breed gedragen te worden door zowel politiek als samenleving.

Mathoera stelt echter dat de drie initiatiefwetten, die een ingrijpende wijziging van de rechterlijke organisatie beogen, deze geest van zorgvuldige voorbereiding, inhoudelijke onderbouwing en breed maatschappelijk draagvlak missen. “Integendeel,” zegt zij, “zij wekken de indruk ad hoc en lichtvaardig te zijn voorbereid, zonder aantoonbare noodzaak, en hebben grote delen van de samenleving verrast, waaronder de rechterlijke macht en zelfs coalitiepartners.”

De bestaande wet (boven) en de wijziging


Intrekking initiatiefvoorstel ‘Wet RIS artikel 4’
Twee van de initiatiefvoorstellen hebben betrekking op grondwetswijzigingen inzake de rechterlijke organisatie en de rechtspositie van de rechterlijke macht. In een derde voorstel willen de initiatiefnemers het Reglement op de Inrichting en Samenstelling van de Rechterlijke Macht (Wet RIS, G.B. 1935 no. 79) aanvullen.

De behandeling van dit laatste voorstel staat als eerste op de agenda voor de openbare vergadering van donderdag. Mathoera vraagt zich af of de indieners dit voorstel wel zorgvuldig hebben gelezen voordat zij het in december 2025 indienden. In het voorstel wordt beoogd om aan artikel 4 van de Wet RIS een lid 2 en 3 toe te voegen, onder meer over een adviesprocedure bij voordrachten (rechter of procureur-generaal), waarbij het Hof van Justitie een termijn van dertig dagen krijgt om te reageren. Mathoera wijst erop dat artikel 4 van de Wet RIS een ander onderwerp regelt en geen lid 1 kent. Zij verwacht dan ook dat de indieners dit initiatiefvoorstel onverwijld zullen intrekken.

College van procureurs-generaal kost meer geld en menskracht

Het door president Jennifer Simons gesignaleerde probleem dat strafzaken te lang duren en dat daarom een College van procureurs-generaal (PG’s) nodig zou zijn, snijdt volgens Mathoera geen hout. “Lange wachttijden worden absoluut niet opgelost met een College van PG’s,” stelt zij. Volgens haar zijn daarvoor versterking van bestaande instituten en een samenhangend pakket aan maatregelen nodig, zoals betere planning, meer en beter ondersteund personeel, verbetering van het opsporingsonderzoek en verdere digitalisering van processen en procedures.

Daarnaast noemt zij laagdrempelige oplossingen, zoals de inzet van politierechters bij lichte overtredingen en meer bemiddeling voor rechtzoekenden, die de druk op de rechterlijke macht kunnen verlichten en de kwaliteit van de rechtspraak kunnen verbeteren.

Risico op politieke beïnvloeding

Mathoera waarschuwt ook voor politieke beïnvloeding. In de initiatiefwetten wordt voorgesteld dat de voordracht van een procureur-generaal niet langer vanuit het Openbaar Ministerie (OM) hoeft te komen. Volgens haar schuilt hierin het risico van politieke benoemingen, zeker in combinatie met een plotselinge overgang naar een College van PG’s. “In een kleine samenleving wordt daarmee het risico van politieke beïnvloeding vergroot,” stelt zij.

Bovendien kunnen meerdere PG’s volgens haar leiden tot vertraging, onduidelijke aansturing, verminderde samenwerking en gezagsverlies, wat uiteindelijk een negatieve doorwerking heeft naar de lagere niveaus van de organisatie.

Wanneer de politiek de ruimte krijgt om eigen mensen te benoemen in plaats van voordrachten vanuit het OM, waar voldoende kwaliteitswaarborgen bestaan, dreigt volgens Mathoera ook bij het OM het ontstaan van partijloyaliteit boven professionaliteit. Zij trekt hierbij parallellen met problemen die zich voordoen bij parastatale bedrijven en binnen de overheid.

Versterk de instituties aan de basis
Mathoera benadrukt dat structurele problemen binnen de overheid niet worden opgelost door nieuwe colleges of instituties op te richten. “De achterstanden binnen de overheid zijn gigantisch en de dienstverlening is ernstig verzwakt,” stelt zij. Tijdens de financiële crisis hebben juist de instituties een hoge prijs betaald door gebrek aan investeringen in leiderschap, processen, logistieke middelen en communicatie.

Volgens de VHP’er moet de regering, als zij daadwerkelijk kwaliteit wil verbeteren, investeren in de versterking van de instituties aan de basis, met name de politie. Preventie moet worden versterkt, aangiften moeten serieus worden genomen, het opsporingswerk moet worden verbeterd, dossiers moeten van hogere kwaliteit zijn en processen verder worden gedigitaliseerd. Daarnaast pleit zij voor uitbreiding van bijzondere opsporingsbevoegdheden voor de politie.