Rabin Parmessar, voorzitter commissie van rapporteurs
NDP-fractieleider Rabin Parmessar, als voorzitter van de commissie van rapporteurs, heeft donderdag uitgebreid toegelicht waarom de initiatiefnemers grondwetswijzigingen voorstellen die moeten leiden tot twee ingrijpende institutionele hervormingen: de instelling van cassatierechtspraak en de herstructurering van het Openbaar Ministerie (OM). Volgens Parmessar beogen de voorstellen niet alleen modernisering, maar ook het versterken van de rechtsstaat, met oog voor kwaliteit, bemensing en controleerbaarheid van macht.

Parmessar zette uiteen dat in de ontwerpwet tot wijziging van de Grondwet aanpassingen zijn voorgesteld voor de artikelen 133, 139, 140, 141 en 146, met toevoeging van een nieuw artikel 139a. Artikel 134 wordt volgens hem uitsluitend om taalkundige redenen aangepast.
In hoofdlijnen draaien de wijzigingen om twee fundamentele onderwerpen:
● De instelling van een derde rechtsinstantie (cassatie): de Hoge Raad van de Republiek Suriname.
● De herstructurering van het Openbaar Ministerie, waarbij de leiding in de toekomst kan komen te berusten bij een College van Procureurs-Generaal.

Hoge Raad als derde instantie: cassatie en rechtsontwikkeling

Parmessar legde uit dat het huidige artikel 139 een belemmering vormt omdat daarin het Hof van Justitie als hoogste instantie wordt genoemd. Daarom wordt voorgesteld artikel 139 zo aan te passen dat:
● de belemmering wordt weggenomen;
● en tegelijk een grondslag wordt gelegd voor de Hoge Raad als hoogste instantie met rechtspraak belast.

In de kern komt het voorstel erop neer dat de Hoge Raad belast wordt met cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht, binnen bij wet vast te stellen grenzen. Cassatie is daarbij geen feitelijke herbeoordeling van een zaak, maar een toets op juiste toepassing en uitleg van het recht.

Breed draagvlak voor ‘derde instantie’, discussie over invulling

Parmessar wees erop dat tijdens hearings en in publieke reacties de komst van een derde instantie in het algemeen wordt verwelkomd, ook vanuit het Hof van Justitie. Waarover wel discussie bestaat, is de invulling: kiest Suriname voor een eigen Hoge Raad, of sluit het land aan bij een internationale/regionale oplossing, zoals het Caribbean Court of Justice (CCJ).

Parmessar stelde dat hij het uitgangspunt van de initiatiefnemers deelt: Suriname moet op termijn een eigen Hoge Raad hebben als volwassen natie. Tegelijk noemde hij de voorgestelde aanpak gefaseerd, zodat regering en rechterlijke macht tijd krijgen om de benodigde institutionele en wettelijke voorzieningen te treffen.

Kwaliteit en bemensing: cruciale randvoorwaarde
Een belangrijk punt in Parmessars betoog is dat het succes van een derde instantie niet vanzelfsprekend is. Hij benadrukte dat de Hoge Raad alleen vertrouwen kan versterken als zij:
● zorgvuldig wordt ingericht;
● bemenst wordt door integere juristen met uitstekende kwalificaties;
● en geen twijfel oproept over kwaliteit en onafhankelijkheid.

Daarbij wees de politicus op een reëel knelpunt: de beschikbare capaciteit binnen de zittende magistratuur. Om die reden moet volgens hem serieus worden gekeken naar mogelijkheden voor internationale inbedding en – zeker in een opstartfase – ook naar ruimte voor internationale participatie.

Ruimte voor internationale invulling: voorstel artikel 139a

Parmessar bepleitte dat, naast het uitgangspunt van een eigen Hoge Raad, de Grondwet ook ruimte moet bieden om de cassatietaak tijdelijk of aanvullend te laten uitvoeren door een buitenlandse of internationale gerechtelijke instantie, onder voorwaarden die bij wet worden vastgelegd. Dat past volgens hem bij de realiteit van menskracht en bij het belang van internationale worteling, ook met het oog op vertrouwen van investeerders in de rechtspraak.

Belemmering in artikel 141: nationaliteit en woonplaats
Parmessar maakte ook het punt dat de huidige Grondwet (artikel 141) eisen stelt zoals Surinaamse nationaliteit en woonplaats/werkelijk verblijf in Suriname voor leden van de rechterlijke macht. Als de Hoge Raad onderdeel wordt van de rechterlijke macht, werken die eisen door. Dat kan, zo betoogde hij, een praktische belemmering vormen voor het aantrekken van expertise, vooral bij de opstart.

Om die reden stelde hij voor om – specifiek voor leden van de Hoge Raad – uitzonderingsruimte te creëren voor de vereisten van Surinaamse nationaliteit en verblijf, zodat internationale bemensing of deelname niet bij voorbaat wordt geblokkeerd.

Herstructurering Openbaar Ministerie: naar een College van PG’s
Het tweede grote hervormingsspoor betreft het OM. Parmessar legde uit dat de ontwerpwet, via onder meer artikel 146 (en samenhang met 133, 141 en 142), grondslagen beoogt te creëren voor een toekomstige structuur waarbij de leiding van het OM niet langer per definitie in één hand ligt, maar kan worden ondergebracht in een College van Procureurs-Generaal.

Parmessar schetste dat vooral vanuit het OM en andere critici wordt gewezen op de historische positionering van de eenhoofdig procureur-generaal als hoofd van de vervolging, met een vervolgingsmonopolie dat onafhankelijk van de regering wordt uitgeoefend. Daarbij wordt ook gewezen op het constitutionele karakter van de functie en de benoeming voor het leven.

Tegelijk wees Parmessar erop dat er ook stevige steun bestaat voor het college-model, juist vanuit het idee van checks and balances: besluitvorming aan de top van het vervolgingsapparaat zou minder persoonsafhankelijk worden en beter toetsbaar. Kernvraag volgens Parmessar: is het huidige model nog toereikend? Volgens hem ontbreekt in veel reacties een directe confrontatie met de kernvraag van deze tijd: is het huidige systeem, met sterke concentratie van vervolgingsmacht in één functie, nog passend bij de rechtsstaat die Suriname wil zijn?

De politicus betoogde dat geschiedenis relevant is, maar niet als rem mag dienen op noodzakelijke vernieuwing. De rechtsstaat vraagt volgens hem om deconcentratie van macht en controleerbaarheid. In dat licht moeten structuren die macht bundelen, kritisch tegen het licht worden gehouden.

‘Klein land’ is geen rechtsstatelijk argument
Parmessar ging ook in op het argument dat Suriname als kleine samenleving te klein zou zijn voor een collegiale vervolgingsleiding. Hij stelde dat bevolkingsomvang geen doorslaggevend rechtsstatelijk criterium is. De belangrijkste vragen zijn:
● hoeveel macht bij één functionaris wordt geconcentreerd;
● hoe transparant en controleerbaar vervolgingsbesluiten tot stand komen;
● en hoe consistent beleid kan worden geborgd.

Volgens Parmessar kan een collegiale leiding bijdragen aan interne tegenspraak, kwaliteitscontrole en gedeelde verantwoordelijkheid, juist in een samenleving met korte lijnen. Randvoorwaarden: geen politisering, geen verlamming
Tegelijk erkende Parmessar dat een College van PG’s zorgvuldig moet worden vormgegeven. Hij noemde als risico’s onder meer:
● bureaucratische vertraging;
● onduidelijke bevoegdheidsverdeling;
● en het gevaar van informele politieke benoemingen.
Daarom moeten benoemingscriteria, besluitvormingsprocedures en verantwoordelijkheden helder worden vastgelegd. Die detaillering hoort volgens hem vooral thuis in de uitwerking via wetgeving, nadat de Grondwet de noodzakelijke ruimte heeft geboden.

Memorie van Toelichting moet steviger
Parmessar concludeerde dat zowel bij de Hoge Raad/cassatie als bij de herstructurering van het OM één punt telkens terugkomt: de Memorie van Toelichting is op onderdelen onvoldoende. Hij bepleitte dat de toelichting inhoudelijk wordt aangescherpt en uitgebreid, zodat duidelijker wordt:
- waarom de wijziging nodig is;
- welke rechtsstatelijke doelen worden nagestreefd;
- en hoe kwaliteit, onafhankelijkheid en uitvoerbaarheid worden geborgd.

Met zijn bijdrage plaatste Parmessar de initiatiefwetten in een breder kader: Suriname moet, stelde hij, institutionele keuzes maken die passen bij moderne eisen van rechtsbescherming, rechtsontwikkeling en vertrouwen in de rechtsstaat, maar zonder de praktische realiteit van capaciteit, bemensing en implementatie uit het oog te verliezen.

De Assembleevergadering waar de initiatiefwetten worden behandeld wordt vrijdag voortgezet.