Siegfried Kenswil
Suriname staat aan de vooravond van zijn olietijdperk. In het hart van die transformatie ligt één juridisch instrument: het Production Sharing Contract. Via dat contract worden onze offshore rijkdommen opgespoord, ontwikkeld en uiteindelijk gedeeld tussen de Staat, handelend via Staatsolie, en haar internationale partners. Toch is er over dit instrument opvallend weinig geschreven. Dat was voor mij de reden om er een boek aan te wijden: The Surinamese Production Sharing Contract.

Het boek begint waar het contract begon: in Indonesië, waar in 1966 het eerste PSC werd gesloten als antwoord op een constitutionele vraag, namelijk hoe een staat soeverein eigenaar van zijn bodemschatten kan blijven en toch buitenlands kapitaal en kennis kan aantrekken. Dat model reisde de wereld over en landde via het beleid van Staatsolie in Paramaribo. Wat daar ontstond, is een Surinaamse hybride: een privaatrechtelijke overeenkomst, gedragen door publiekrechtelijke garanties uit de Petroleumwet 1990, het Mijnbouwdecreet 1986 en het Stabilisatiebesluit 2018.

De kern van het boek is een artikelsgewijze bespreking van het Staatsolie-model-PSC: alle vijfenveertig artikelen. Daar wordt zichtbaar hoe het bouwwerk werkelijk functioneert: de royalty als fundament van de staatsinkomsten, cost recovery en profit oil per commercieel veld, de R-factor die het staatsaandeel laat meegroeien met de winstgevendheid en de fiscale behandeling van de contractor onder de Inkomstenbelasting 1922.

Het PSC-model geldt wereldwijd als best practice in de olie- en gassector, en terecht. Maar het heeft één zwakke plek: het leunt zwaar op adequate belastingheffing en handhaving. De staat verdient langs twee wegen: profit oil én belasting. Waar de fiscale kant hapert, komt het raamwerk niet tot zijn recht en pakt het juist in het nadeel van de staat uit.

Precies daar raakt het boek de actualiteit. Het laat zien dat de ring fence in het PSC een contractueel cost-recoverymechanisme is en dat een fiscale ring fence, die de aftrek per veld of contract zou begrenzen, in de huidige belastingwetgeving niet bestaat. Wie die wil invoeren, heeft de wetgever nodig en kan bestaande contracten daarbij niet met terugwerkende kracht raken, zonder de rechtszekerheid en de stabilisatiegaranties van de Staat zelf te schenden.

Daarmee is de rode draad van het boek gegeven. Surinames petroleumregime rust op een wet uit 1990 (met latere aanpassingen), een decreet, een besluit en de contracten zelf. Dat heeft gewerkt, maar het draagvermogen van die constructie wordt nu overschreden. Het slothoofdstuk bepleit daarom een gecodificeerde Petroleum- en PSC-wet, waarin royalty, cost recovery, winstdeling, stabilisatie én local content als wettelijke verplichtingen, na parlementair debat, een formele plaats krijgen. Soevereiniteit en investeerdersvertrouwen zijn geen tegenpolen: rechtszekerheid is de voorwaarde waaronder beide gedijen.

Een land op de drempel van een olietijdperk verdient spelregels met de status van wet.

Siegfried G. Kenswil LL.M.
Fiscaal jurist, verbonden aan Bougainville Tax, en auteur van het boek The Surinamese Production Sharing Contract.