De al maanden gaande pogingen om de rechterlijke macht te hervormen, hebben niets meer te maken met zorgvuldigheid. Dit is geen wetgevingsproces in uitvoering. Dit is bestuurlijke sabotage — openlijk, zichtbaar en zonder schaamte.

Na maanden van vergaderen, consulteren en analyseren slaagt De Nationale Assemblee er niet in knopen door te hakken. In plaats daarvan wordt een cruciale vergadering, waarin indringende besluiten genomen moeten worden, opnieuw verdaagd voor verder overleg. Het klinkt verantwoord, bijna staatsrechtelijk. Maar het tegenovergestelde is waar; er is een schaamteloos gebrek aan besluitvorming en politieke wil. Want hoeveel overleg is nog nodig?

De argumenten die worden aangevoerd, houden steeds minder stand. Neem het hardnekkige verhaal over de procureur-generaal die zogenaamd “voor het leven” benoemd zou zijn. Het is een mythe die doelbewust in stand wordt gehouden om een probleem te suggereren dat er in die vorm niet is. Al sinds 1977 geldt een pensioenleeftijd van 65 jaar. Dat is geen interpretatiekwestie, dat is geldend recht.

De echte kwestie wordt zorgvuldig ontweken: de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht, waarin de pensioenleeftijd naar 70 jaar is opgetrokken, een maatregel die op zijn minst vragen oproept over de grondwettelijkheid. Maar in plaats van die fundamentele fout te corrigeren, kiest men ervoor om eromheen te blijven draaien.

Wat deze situatie nog problematischer maakt, is dat de rechterlijke macht zelf heeft meegewerkt aan de totstandkoming van deze betwiste wetgeving. Daarmee is zij niet alleen bewaker van de rechtsstaat, maar ook, zij het indirect, medeverantwoordelijk voor de huidige normatieve onduidelijkheid. Want hoe overtuigend kan een instituut optreden als hoeder van de rechtsstaat, wanneer het zelf betrokken is geweest bij regelgeving die diezelfde rechtsstatelijke zuiverheid ter discussie stelt?

De consequentie is niet alleen juridisch, maar vooral institutioneel. De schijn van belangenverstrengeling ligt op de loer, en in een rechtsstaat is die schijn al schadelijk genoeg. Gezag berust immers niet alleen op formele bevoegdheden, maar ook op vertrouwen.

Het is duidelijk dat het aanpakken of zelfs intrekken van deze wet politieke consequenties heeft. En precies daar ligt de kern van de zaak. Wat overblijft, is een toneelstuk waarin begrippen als “verschillen van inzicht” en “nadere afstemming” dienen als dekmantel voor iets veel eenvoudiger; men wil niet. Of, nog preciezer, men wil wel, maar niet als het ten koste gaat van de eigen positie, invloed of controle.

Intussen betaalt de rechtsstaat de prijs. Want elke hervorming die wordt uitgesteld, elke wet die halfslachtig wordt behandeld, elke tegenstrijdigheid die blijft bestaan, ondermijnt het vertrouwen in de rechterlijke macht. Niet omdat rechters hun werk niet doen, maar omdat het systeem waarin zij opereren door de politiek wordt verzwakt.

Vertrouwen in de rechtsstaat is geen abstract begrip. Het is de overtuiging dat regels helder zijn, dat instituties functioneren en dat macht niet willekeurig wordt uitgeoefend. Wat we nu zien, is het tegenovergestelde: onduidelijkheid, vertraging en politieke berekeningen, met alle gevolgen van dien.

Een rechterlijke macht die onderwerp blijft van politieke touwtrekkerij, verliest aan gezag. Niet alleen door eigen falen, maar door politieke nalatigheid. De erosie begint subtiel, maar eindigt in wantrouwen.

Dit zorgwekkende schouwspel vindt plaats in een periode waarin het vertrouwen van de burger in de rechtsstaat al behoorlijk is weggeëbd. Er is geen crisis die dit verergert, behalve het gebrek aan daadkracht.

De oplossing ligt al maanden op tafel: trek de ondeugdelijke wetgeving in en begin opnieuw, eenduidig en grondwettelijk zuiver. Regel de rechtspositie, de pensioenleeftijden en de benoemingen in samenhang. Dat is geen technisch probleem. Dat is een politieke keuze die niet wordt gemaakt.

Het gaat hier dus niet om een complex juridisch vraagstuk, maar om een test voor de 51 volksvertegenwoordigers in het parlement. Een test die, ondanks de belofte om het anders te doen en het politiek-bestuurlijke systeem te veranderen, vooralsnog niet wordt gehaald.

Wilfred Leeuwin