Als media in Suriname eerst toestemming van het Openbaar Ministerie moeten afwachten voordat zij mogen berichten over een aangifte, kunnen we de persvrijheid in dit land net zo goed afschaffen. Die ongemakkelijke conclusie dringt zich op bij de rechtszaak die Burney Brunswijk heeft aangespannen tegen DTV-Express. Aanleiding is de berichtgeving over een aangifte wegens valsheid in geschrifte die tegen hem en Grassalco-directeur Wesley Rozenhout is gedaan.

Feiten
In het gepubliceerde artikel van DTV-Express, maar ook bij meerdere media, waaronder SR Herald en Starnieuws, gaat het niet om roddels of verdachtmakingen, maar om keiharde en bovendien verifieerbare feiten. Er is immers daadwerkelijk aangifte gedaan. Ook werd Brunswijk aan het woord gelaten door DTV-Express. Dat heet hoor en wederhoor. Strikt genomen was dat hier niet eens noodzakelijk, omdat het ging om een feitelijke constatering: het bestaan van een aangifte.

Rechtszaak
De eisen die in het kort geding worden gesteld zijn opmerkelijk. Het artikel moet worden verwijderd van alle mediakanalen van DTV-Express, er moet een rectificatie komen en – nog ingrijpender – het medium moet zich in de toekomst onthouden van publicaties waarin Brunswijk met strafbare feiten in verband wordt gebracht, zolang het Openbaar Ministerie daarover geen officiële bevestiging heeft gegeven.

Censuur
Bij het lezen van zulke eisen moeten in een democratische rechtsstaat onmiddellijk de alarmbellen gaan rinkelen. In feite wordt met deze rechtszaak geprobeerd journalistieke berichtgeving vooraf te beperken. Dat is niets minder dan een poging tot preventieve censuur.
Journalisten hoeven namelijk niet te wachten op een persbericht van het Openbaar Ministerie – of van wie dan ook – voordat zij berichten over een aangifte. Het feit dát er aangifte is gedaan, is op zichzelf al nieuws. Het behoort tot de kerntaak van de media om daarover te berichten, zeker wanneer het gaat om personen die een publieke functie bekleden. Als dat niet meer mag, wordt de journalistiek gereduceerd tot het simpelweg overschrijven van officiële verklaringen.

De vraag dringt zich dan ook op of de advocaat van Burney Brunswijk, - nog erbij Iris Nazir - niet beter had moeten weten en haar cliënt anders had moeten adviseren. Een advocaat die vertrouwd is met constitutionele beginselen weet dat een eis die toekomstige publicaties wil verbieden ronduit censuur is. De persvrijheid bestaat juist om te voorkomen dat machtige personen kunnen bepalen wat wel en niet gepubliceerd mag worden.

Kritischer samenleving
Opvallend genoeg gebeurt deze poging om de media juridisch onder druk te zetten op een moment waarop de samenleving juist kritischer is geworden en hogere eisen stelt aan de journalistiek. De afgelopen weken hebben verschillende media tal van kwesties onderzocht en gepubliceerd – van politieke schandalen tot mogelijke corruptiezaken, vooral bij staatsbedrijven. Ook de wettelijke misslag van de financiële positie van de rechterlijke macht is tot de bodem doorboord. Het houtdossier met uitputtend onderzoek tot terugdraaien van de rechterlijke dwaling door het Hof van Justitie mag ook zeker vermeld worden. Dat is geen ontsporing van het beroep, maar juist een teken van een groeiende en volwassen wordende journalistieke cultuur waarin machthebbers niet langer automatisch buiten schot blijven.

De media willen daarbij niet op de stoel van de rechter gaan zitten. Dat is ook niet hun taak. Maar de samenleving heeft recht op informatie, en journalisten hebben de plicht om die informatie te onderzoeken en te publiceren wanneer zij daarover beschikken. Wanneer invloedrijke personen hun positie misbruiken om media juridisch te bestrijden omdat berichtgeving hen niet bevalt, verschuift de balans in de democratische rechtsstaat. Dan wordt de rechtsgang een instrument van macht, in plaats van een middel om recht te zoeken.

Zelfcensuur
De eis van Brunswijk aan de rechter is daarom meer dan zorgwekkend. Een eventuele toewijzing zou een groot effect hebben – en wellicht is dat ook precies de bedoeling. Want wat doet een eis van een dwangsom van SRD 1 miljoen per dag met redacties? Hoeveel journalisten zullen zich de volgende keer afvragen of het nog wel verstandig is te berichten over een aangifte wanneer invloedrijke namen in het spel zijn?

Zelfcensuur is funester dan openlijke censuur. Als dergelijke eisen zonder duidelijke grenzen worden toegelaten, is het hek van de dam. Dan wordt elke journalist die bericht over een aangifte, een onderzoek of een beschuldiging tegen een invloedrijke persoon een potentiële gedaagde in een rechtszaak. 

De vraag die uiteindelijk bij de rechterlijke macht ligt, is daarom principieel: biedt de rechter ruimte aan een vordering die neerkomt op het vooraf beperken van journalistieke berichtgeving? In een gezonde democratische rechtsstaat zou het antwoord daarop helder moeten zijn: neen en nogmaals neen, nunca nyet, nah, ora no, no way. Want persvrijheid bestaat niet om machthebbers te beschermen tegen ongemakkelijke berichtgeving. Zij bestaat juist om te voorkomen dat machthebbers bepalen wat het publiek wel en niet mag weten.

Wilfred Leeuwin