Suriname kent meerdere nationale herdenkingsdagen die herinneren aan strijd, verlies en bevrijding. Toch ontbreekt één cruciale datum nog altijd in het collectieve bewustzijn: 10 januari 1686. Op die dag werd, na georganiseerd en volgehouden inheems verzet tussen 1678 en 1686, een vredesverdrag gesloten tussen de oorspronkelijke bewoners van het gebied en de koloniale machthebbers. In dat verdrag werd expliciet vastgelegd dat inheemse volken niet langer tot slaaf mochten worden gemaakt of verkocht. Het akkoord diende bovendien als model-vredesverdrag voor daaropvolgende vredestraktaten.

Dit moment is geen randgebeurtenis in de Surinaamse geschiedenis, maar markeert een fundamentele erkenning van inheems verzet, zelfbeschikking en recht. Het was geen gebaar van goodwill, maar een overwinning die werd afgedwongen door strijd, offers en collectieve kracht. In het bijzonder dient te worden herinnerd dat in 1684, tijdens voorafgaande vredesbesprekingen, Van Sommelsdijk met kanongeweld veertien dorpen langs de Coppename genadeloos met de grond gelijk maakte.

Een geschiedenis die werd weggelaten
De geschiedenis van Suriname begint niet met kolonisatie. Toch wordt het verhaal van het land nog vaak verteld vanuit het perspectief van Europese overheersing, alsof de oorspronkelijke bewoners pas relevant werden nadat anderen zich het land toe-eigenden. Het langdurige inheemse verzet tegen koloniale onderdrukking is decennialang gemarginaliseerd of gereduceerd tot een voetnoot.

De strijd die bekendstaat als de Rode Oorlog was echter geen incidentele opstand. Het betrof een georganiseerde, principiële en langdurige verzetsstrijd tegen slavernij, ontmenselijking en de gewelddadige inname van land. Inheemse volken verzetten zich op hun eigen grondgebied, niet uit rebellie, maar uit noodzaak om te overleven.

De Rode Oorlog: verzet tegen structureel geweld
De Rode Oorlog was geen spontane eruptie van geweld, maar een reactie op structureel geweld en dreigende vernietiging. Inheemse gemeenschappen werden geconfronteerd met kinderontvoeringen, slavernij, verkrachting van vrouwen en het systematisch ontkennen van hun menselijkheid. Tegelijkertijd werden zij gedwongen hun cultuur te verwerpen en het christendom aan te nemen. Onder deze omstandigheden was verzet onvermijdelijk.

Inheemse leiders en strijders zoals Kaikusi, Arybari, Tonai, Pryari, Araryka en Warray speelden een centrale rol. Zij verdedigden niet alleen hun vrijheid, maar ook hun recht om als mens en gemeenschap te blijven bestaan. Hun leiderschap was strategisch, collectief en diep geworteld in verbondenheid met land en gemeenschap.

In deze periode ontstonden ook allianties met gevluchte tot slaaf gemaakten van plantages, die bescherming vonden bij de oorspronkelijke bewoners. Deze samenwerking toont aan dat de strijd tegen koloniale onderdrukking niet langs etnische lijnen liep, maar werd gedragen door een gedeeld verlangen naar vrijheid, rechtvaardigheid en zelfbeschikking, gebaseerd op spirituele kracht.

Het vredesverdrag van 10 januari 1686 erkende expliciet dat inheemsen niet langer tot slaaf mochten worden gemaakt of verkocht. Deze erkenning werd niet geschonken; zij werd afgedwongen.

Een strijd die bleef voortduren
Met het sluiten van het verdrag eindigde de inheemse strijd niet. Koloniale structuren bleven bestaan en veranderden slechts van vorm. Ook na de formele afschaffing van slavernij en de latere onafhankelijkheid van Suriname bleef het Oorspronkelijk Recht van inheemse volken structureel genegeerd.

In 1955 richtten inheemse leiders zich in een formele brief tot koningin Juliana met een oproep tot herstel, erkenning en rechtvaardigheid. Het was een vroege en principiële vraag om wat vandaag reparations wordt genoemd. Hoewel de brief werd ontvangen, bleef een structurele reactie uit.

Bij de onafhankelijkheid van Suriname werden de rechten van inheemse volken opnieuw buiten beschouwing gelaten. Het land werd onafhankelijk verklaard, terwijl voorbij werd gegaan aan hun soevereiniteit en collectieve rechten, alsof zij geen dragers waren van het land zelf. Koloniale logica werd voortgezet, maar nu in nationale vorm.

De Binnenlandse Oorlog en vergeten offers
Ook tijdens de Binnenlandse Oorlog speelden inheemse gemeenschappen een cruciale rol. Zij boden bescherming aan burgers, droegen bij aan stabiliteit en bewaakten hun leefgebieden in een periode van geweld en onzekerheid. Toch zijn hun bijdragen zelden structureel erkend of vertaald naar beleid.

De beloften die toen werden gedaan, verdwenen grotendeels uit het nationale geheugen. Wat bleef, was een patroon waarin inheemse gemeenschappen verantwoordelijkheid droegen zonder bijbehorende zeggenschap.

Juridische erkenning zonder uitvoering
De strijd verplaatste zich naar het juridische domein. In het internationale Kaliña-Lokono-vonnis van 25 november 2015 werd vastgesteld dat Suriname de collectieve rechten van inheemse volken had geschonden. Daarmee werd bevestigd wat al generaties lang werd gezegd.

Toch bleef ook na deze uitspraak daadwerkelijke uitvoering grotendeels uit. Beleidsmatige doorwerking, wettelijke verankering en structurele bescherming bleven achter. Erkenning op papier bleek onvoldoende zonder politieke wil.

Tegen deze achtergrond ligt er nu een wetsvoorstel om inheemse volken als oorspronkelijke bewoners op te nemen in de preambule van de Grondwet. Deze stap wordt gepresenteerd als historisch, maar voelt voor velen leeg zolang zij niet gepaard gaat met concrete rechten, bescherming en zeggenschap. Dit is de primaire nationale reparatie voor Suriname.

Erkenning is geen gunst
Erkenning is geen gunst en geen symbolisch gebaar. Juridisch en moreel schept erkenning verplichtingen. Zonder doorwerking in wetgeving en beleid blijft zij betekenisloos.

De vraag waar Suriname vandaag voor staat is helder: kiest het land voor rechtvaardigheid, of voor het voortzetten van kolonialisme, ditmaal door eigen mensen? Voor inheemse volken zijn valse beloftes geen onbekend terrein.

De spirituele dimensie van de strijd
De inheemse strijd is niet alleen politiek of juridisch, maar ook diep spiritueel. De verbondenheid met land, water, voorouders en heilige plekken is geen symboliek, maar bestaansvoorwaarde. Dit verklaart waarom de strijd eeuwenlang voortduurt.

Juist daarom is het pijnlijk wanneer heilige locaties worden ontheiligd of ceremonieel gebruikt zonder toestemming, kennis of respect. Spiritueel handelen vraagt verantwoordelijkheid; zonder die blijft het leeg vertoon.

10 januari als nationale herdenkingsdag
Het erkennen van 10 januari als nationale herdenkingsdag is een noodzakelijke eerste stap, maar mag niet het eindpunt zijn. Dit land vraagt om meer dan woorden. Het vraagt om herstel, uitvoering en moed.

Zolang macht, winst en bezit belangrijker blijven dan menselijkheid, gemeenschap en verbondenheid met het land, wordt kolonialisme niet beëindigd maar voortgezet. Dat is geen onwetendheid meer. Dat is een keuze.

Een ander pad is mogelijk
De inheemse strijd laat zien dat een ander pad bestaat: waar land geen handelswaar is maar een levende entiteit, waar spiritualiteit verantwoordelijkheid betekent en waar vrijheid wordt gemeten in recht.

10 januari leeft voort in overlevingsverhalen, doorgegeven van generatie op generatie. In de invulling van het 10-puntenplan van de CARICOM Reparations Commission wordt het Oorspronkelijk Recht van inheemse volken centraal geplaatst: niet als bijlage, maar als fundament.

10 januari gaat niet alleen over het verleden.
Het gaat over wat wij vandaag doen met die waarheid.

Daarom verdient deze datum nationale én internationale erkenning als dag van inheemse bevrijding, verzet en voortdurende strijd.

Dit verhaal leeft.
En eraan bouwen is geen vanzelfsprekendheid, maar een keuze.

Uriël Sabajo & drs. Alwin Ligorie
Masuanary Foundation for Reparation Affairs
urielsabajo78@gmail.com