De synchronisatie waarover zoveel heisa wordt gemaakt, is altijd aanwezig geweest binnen de regelingen van de geldelijke voorzieningen van de politieke ambtsdragers.

Vanaf de inwerkingtreding van de Grondwet van 1975 is in verschillende bepalingen vastgelegd dat de wet de geldelijke voorzieningen regelt ten behoeve van de leden en gewezen leden van De Nationale Assemblee (artikel 86 Grondwet).

Voor De Nationale Assemblee (DNA) heeft dit, na de herdemocratisering in 1987, voor het eerst bij wet van 23 september 1988 (S.B. 1988 no. 59) plaatsgevonden (zie de memorie van toelichting). Het ontwerp is zodanig geformuleerd en geredigeerd dat het geen verdere toelichting behoeft.

Vervolgens is deze wet nader gewijzigd bij wet van 23 juli 1993 (S.B. 1993 no. 57). Het werd als onjuist ervaren dat, indien een lid niet meer dan de helft van het aantal gehouden vergaderingen van D.N.A. had bijgewoond, dit lid geen aanspraak maakte op een aantal toelagen, et cetera.

Bij wet van 1 september 1994 (S.B. 1994 no. 77) vond een nadere wijziging plaats van de regeling geldelijke voorzieningen van leden en gewezen leden van DNA. Hierbij werd voor het eerst een terugkoppeling gemaakt met het Ambtenarenbezoldigingsbesluit, namelijk de maximumbezoldiging van schaal 22, zijnde de schaal van een onderdirecteur van een departement, zoals dat vóór de herdemocratisering het uitgangspunt was in de bezoldigingsdecreten.

Voor wat betreft DNA. hebben voorts wijzigingen plaatsgevonden bij wet van 17 oktober 2001 (S.B. 2001 no. 73), wet van 20 mei 2005 (S.B. 2005 no. 57) en wet van 8 mei 2015 (S.B. 2015 no. 74).

In de vigerende wet van 29 november 2024 is de bezoldiging van de voorzitter gekoppeld aan 85% van de maximumbezoldiging van de president van de Republiek Suriname, vervolgens aflopend naar de overige functiegroepen. Zo zijn de onderlinge verhoudingen in stand gehouden.

Ook bij wet van 23 september 1988 (S.B. 1988 no. 58), houdende de financiële voorzieningen van ministers en onderministers, welke terugwerkt tot 1 juli 1988 (artikel 126 Grondwet), werd een koppeling aangebracht. Hiervoor was de bezoldiging in de decreten voor het eerst gekoppeld aan die van een departementsdirecteur (tweemaal).

Bij wet van 23 juli 1993 (S.B. 1993 no. 55), houdende nadere wijziging van de wet van 1988, is de bezoldiging verhoogd in verband met de toenmalige sociaaleconomische ontwikkelingen.

Bij wet van 1 september 1994 (S.B. 1994 no. 78) werd bij wijziging de schadeloosstelling weer gelijkgesteld met 200% van de maandelijkse bezoldiging van een directeur van een departement. In de vigerende wet geldelijke voorzieningen ministers en onderministers 2025 is de bezoldiging van de minister gebaseerd op 60% van de bezoldiging van de president en die van de minister op 50%.

Bij wet van 9 september 1988 (S.B. 1988 no. 55) inzake de regeling van het inkomen en overige financiële voorzieningen van de president en vicepresident van de Republiek Suriname, krachtens artikel 112 van de Grondwet, zijn de redenen daartoe overduidelijk gemotiveerd.

Bij wet van 23 juli 1993 (S.B. 1993 no. 58) werd het noodzakelijk geacht om de financiële en overige voorzieningen van de president en vicepresident te wijzigen.

Bij wet van 1 september 1994 (S.B. 1994 no. 79) werd bij wijziging de koppeling met de bezoldiging van de minister vastgesteld op 200% van de maandelijkse schadeloosstelling van een directeur van een departement.

In de vigerende wet geldelijke voorzieningen president en vicepresident van 29 november 2024 (S.B. 2024 no. 159) is de bezoldiging van de president gekoppeld aan 400% van de bezoldiging van een departementsdirecteur van Algemene Dienst. De vicepresident geniet een bezoldiging gelijk aan 75% van de bezoldiging van de president.

Als gewezen voorzitter van het Onderhandelingsorgaan van de Overheid (O.O.) heb ik langer dan 13 jaar mede richting gegeven aan de onderhandelingen over de financiële verhoudingen binnen de overheidsadministratie. Derhalve valt er niets aan te passen binnen de verhoudingen van de hoger aangehaalde wetten. Een stoelendans met een artikel 3a is niet nodig en bovendien onbegrijpelijk.

Ten slotte kom ik in een vervolgartikel terug op de uitdrukking “om welke reden dan ook” in het kader van de uiteenzetting van de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht.

Eugène van der San