Er bestaat een merkwaardige verwachting bij delen van de samenleving, alsof de journalistiek wel kritisch mag zijn, zolang het niemand raakt die men wil beschermen. Op het moment dat een journalistieke productie kritisch en ongemakkelijk aanvoelt, zijn de media plotseling bezig met een aanval op personen of groepen, of zouden ze een politieke agenda hebben, of is het een poging om iemand uit zijn functie te werken.


Afgelopen zondag was dat precies de toon van de kritiek, geuit door panellid Giwani Zeggen in het radioprogramma Welingelichte Kringen, aan het adres van Starnieuws. Zeggen stelde dat de redactie met haar berichtgeving over de exorbitante bezoldiging (SRD 1,4 miljoen) van de procureur-generaal bewust zou hebben geprobeerd haar te beschadigen en personen in de kaart te spelen die haar uit haar functie willen hebben. Die beschuldiging zegt uiteindelijk minder over Starnieuws dan over een hardnekkig misverstand, tot zelfs onkunde bij Zeggen, over de journalistiek.


Het bericht waarover ophef is ontstaan, ging niet over een persoon, maar over de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht. De berekening van de bezoldiging waarnaar werd verwezen, is niet uit de lucht gegrepen, maar vloeit voort uit een wettelijk systeem van percentages, toelagen en belastingvrije vergoedingen die letterlijk in deze wet zijn opgenomen. Dat bestuurskundige Eugène van der San deze kwestie eerder publiekelijk heeft aangekaart, verandert niets aan het journalistieke uitgangspunt: wanneer een wet mogelijk leidt tot inkomens van ruim boven de SRD 1 miljoen per maand uit staatsmiddelen, is dat per definitie nieuwswaardig. Overigens blijkt nu dat de Rechterlijke macht bereid is deze wet aan te passen. Maar een wet die bewust in het leven is geroepen en in strijd is met alle maatschappelijke verhoudingen hoort niet te worden gerepareerd, maar nietig worden verklaard.


De suggestie dat Starnieuws de samenleving zou hebben misleid omdat er politieke discussies gaande zijn over hervormingen binnen de rechterlijke macht, is een accentverlegging. Journalistiek wacht geen politiek gunstig moment af. Zij rapporteert wanneer informatie maatschappelijk relevant is, niet wanneer het comfortabel is voor machtsdragers of hun verdedigers. Bij dit beroep wordt er geen rekening mee gehouden als het om algemeen belang gaat, in wiens voordeel informatie zou kunnen werken. Journalistiek accepteert geen censuur en doet ook niet aan zelfcensuur. 


Wat hier werkelijk zichtbaar wordt, is een gevaarlijke verschuiving. Kritiek op een systeem wordt bewust gepersonaliseerd om de inhoudelijke discussie te ontwijken. Door te stellen dat berichtgeving bedoeld zou zijn om de pg “een pootje te lichten”, wordt de aandacht en het accent verlegd van de kern van het vraagstuk: hoe kan een wet in een economisch kwetsbare samenleving leiden tot zulke extreme inkomensverhoudingen binnen de publieke sector? In de journalistiek is dit geen aanval, maar kritische controle. Bovendien was de aandacht niet op de pg, maar de rechterlijke macht.  


Journalistiek is namelijk niet opgericht om functionarissen te beschermen tegen ongemakkelijke feiten. Zij bestaat om burgers inzicht te geven in hoe macht, wetten en publieke middelen functioneren. Wie verwacht dat media zwijgen omdat bepaalde personen onderwerp van discussie kunnen worden, vraagt in feite niet om journalistiek, maar om public relations.


Hetzelfde journalistieke principe zal daarom ook worden gebruikt bij de vele gevallen van mismanagement bij ministeries, overheidsinstituten en staatsbedrijven, zoals nu bij de Stichting Staatsziekenfonds, de Telecommunicatie Autoriteit Suriname, de Melkcentrale en bij Grassalco.


De kritiek van Zeggen op journalisten en media is overigens niet nieuw. Media liggen wereldwijd onder vuur, soms terecht. Er zijn gevallen waarin journalistieke producties tekortschieten, normen worden geschonden of sensatiezucht de overhand krijgt. Kritiek op de pers is dus legitiem en zelfs noodzakelijk in een democratische samenleving. Maar die kritiek moet ergens op rusten.


Het beoordelen van journalistieke producties, of dat nu subjectief of preventief gebeurt, behoort gebaseerd te zijn op erkende journalistieke standaarden en normen, zoals vastgelegd in internationale gedragscodes, waaronder de Code van Bordeaux. In Suriname hanteert de Surinaamse Vereniging van Journalisten een afgeleide daarvan als gedragscode voor haar leden. Die normen gaan over waarheidsgetrouwheid, onafhankelijkheid, hoor en wederhoor, scheiding van feiten en meningen en maatschappelijke verantwoordelijkheid.


Het is een feit dat niet alle journalisten, zelfs niet alle leden van de SVJ, zich altijd strikt aan deze code houden. Maar dat gegeven verleent niemand het recht zich op te werpen als informeel instituut of beroepsorgaan zonder expliciete verwijzing naar de geldende toetsingscriteria. Journalistieke standaarden zijn niet willekeurig; zij zijn het resultaat van decennialange professionele ontwikkeling in een pluriforme, democratische samenleving.


De vraag is dan ook waar Zeggen zijn zelfopgelegde institutionele positie aan ontleent om journalisten de les te lezen. Zijn inhoudelijke kritiek en journalistieke beoordeling getuigen van een gebrek aan de juiste referentie.


En natuurlijk, hij is, zoals iedere burger, vrij om zijn mening te uiten. Dat recht staat buiten kijf. Maar vrije meningsuiting is niet hetzelfde als beroepsmatige autoriteit op een belerende toon. Het verschil tussen kritiek leveren en normerend optreden is wezenlijk. Wie journalistiek wil beoordelen, moet dat doen op basis van vakinhoudelijke standaarden, niet op basis van politieke vermoedens of persoonlijke interpretaties van intentie. In elk geval is met de serie publicatie de samenleving een grote dienst bewezen en het zal ook nog leiden tot correctie, waar ook de rechterlijke macht aan meewerkt. Maar wij journalisten, wachten niet op schouderklopjes en doen ons werk, zonder aanzien des persoons. Het is gezegd aan Zeggen! 


Wilfred Leeuwin