De Surinaamse rechtsorde bevindt zich in een fase van constitutionele herijking. De Nationale Assemblée (DNA) buigt zich in dat kader over een aantal wetsontwerpen. De vraag is hoe de institutionele architectuur van de rechtsstaat duurzaam kan worden gemoderniseerd. Dit artikel beoogt een raamwerk te schetsen voor een coherente hervorming van de rechterlijke macht en het openbaar ministerie, tevens een gefaseerde aanpak van het capaciteitsvraagstuk.

De Surinaamse rechtsorde is historisch geworteld in het Nederlandse civielrechtelijke systeem. De bestaande rechterlijke structuur, met een kantongerecht en een hof van beroep, weerspiegelt deze koloniale institutionele erfenis. Hoewel dit model lange tijd functioneel is geweest, vertoont het thans spanningen met de eisen van een moderne constitutionele democratie. Procedurele complexiteit, beperkte toegang tot de rechter en institutionele rigiditeit belemmeren een effectieve rechtsbescherming. Het justitiële bestel dient zodanig te worden ingericht dat rechtzoekenden zonder onevenredige financiële of procedurele belemmeringen hun rechten kunnen effectueren. Modernisering is derhalve geen louter beleidsmatige keuze, maar een constitutionele noodzaak (actie 1). Een herpositionering van het huidige kantongerecht dient te worden omgezet in een laagdrempelige rechtbank zonder verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat. Dit sluit aan bij internationale ontwikkelingen inzake vereenvoudigde procedures.

Institutionele herstructurering en cassatierechtspraak
Naast het kantongerecht als laagdrempelige rechtbank dient de rechterlijke organisatie systematisch te worden heringericht in drie instanties: rechtbanken in eerste aanleg, een hof van beroep en een hooggerechtshof belast met cassatierechtspraak. De instelling van een nationale cassatie-instantie is staatsrechtelijk van fundamenteel belang. Haar kernfuncties omvatten de bewaking van de rechtseenheid, de normatieve rechtsontwikkeling via richtinggevende jurisprudentie en de versterking van de rechtszekerheid (actie 2). De hoogste rechter vervult daarbij niet slechts een technische correctiefunctie, maar tevens een constitutioneel-symbolische rol binnen de nationale rechtsorde.

Rechtssoevereiniteit en de vraag van regionale cassatie
In het debat binnen De Nationale Assemblée wordt gewezen op mogelijke aansluiting bij de Caribbean Court of Justice (CCJ) als hoogste rechtscollege. Argumenten van kostenbesparing en regionale integratie worden daarbij naar voren gebracht. Vanuit rechtsvergelijkend perspectief dient evenwel te worden onderkend dat Suriname deel uitmaakt van de continentale civielrechtelijke traditie, terwijl diverse CCJ-lidstaten opereren binnen het common law-systeem. Deze rechtsculturen verschillen wezenlijk in methodologie, precedentwerking en normontwikkeling. Institutionele vermenging kan leiden tot doctrinaire inconsistentie en aantasting van de interne systematiek van het nationale recht. Aansluiting bij de CCJ verdient derhalve vanuit staatsrechtelijk en systematisch perspectief geen aanbeveling (actie 3). Bovendien raakt uitbesteding van cassatierechtspraak aan het beginsel van rechtssoevereiniteit. Een nationale cassatie-instantie versterkt de autonomie van de rechtsorde, bevordert interne rechtsontwikkeling via arresten en mobiliseert nationale juridische expertise, zowel binnen als buiten Suriname.

Openbaar Ministerie en het gelijkheidsbeginsel

Suriname wordt geconfronteerd met aanhoudende corruptie en toenemende criminaliteit. De huidige constitutionele regeling, waarin vervolging van onder meer ambtsdragers, parlementariërs en bewindspersonen afhankelijk is van parlementaire inbeschuldigingstelling, roept ernstige vragen op omtrent het gelijkheidsbeginsel en de onafhankelijkheid van de strafvordering. Een politieke meerderheid kan de vervolging blokkeren, hetgeen op gespannen voet staat met het beginsel van gelijkheid voor de wet. Deze regeling dient te worden herzien. Vervolging van voornoemde functionarissen behoort rechtstreeks plaats te vinden door speciaal aangestelde procureurs-generaal (actie 4). Eveneens dient corruptie binnen parastatale instellingen ondubbelzinnig onder het bereik van deze vervolgingsbevoegdheid te vallen (actie 5). De uitbreiding van het aantal procureurs-generaal kan worden ingebed in een bredere decentralisatiestrategie. Regionale organisatie van vervolgingsbevoegdheden, bijvoorbeeld in Oost- en West-Suriname en in Groot-Paramaribo, kan bijdragen aan territoriale spreiding van rechtshandhaving en vergroting van bestuurlijke slagkracht (actie 6). Het voorgaande rechtvaardigt de instelling van een college van procureurs-generaal, belast met de coördinatie en bewaking van een uniforme vervolgingspraktijk.

Capaciteit en expertise

Hervorming van de rechtsorde vereist adequate personele en organisatorische capaciteit. In dit kader verdient het aanbeveling dat de regering een structureel mechanisme ontwikkelt om Surinaamse juridische expertise in binnen- en buitenland te mobiliseren. Het aanstellen van een speciaal niet-residentiële ambassadeur, belast met het werven en coördineren van juridische deskundigheid (actie 7).

Constitutionele randvoorwaarden
De rechtsorde dient te worden ingebed in een strikte scheiding en naleving van de machten, effectieve checks and balances, transparante wetgevingsprocedures en actieve betrokkenheid van de rechtsgemeenschap en het maatschappelijk middenveld. Zonder deze randvoorwaarden dreigt institutionele hervorming te verworden tot een instrument van politieke machtsstrijd, hetgeen het vertrouwen in de rechtsstaat ondermijnt. Daarom geldt: Eerst het realiseren van een samenhangend hervormingsraamwerk en vervolgens een gefaseerde uitbreiding van de personele capaciteit (actie 8).

Headly R. Binderhagel