Benoeming governor CBvS in licht van de Bankwet
12 Feb, 12:42
foto


Met belangstelling hebben wij een artikel van de heer Carlo Jadnandansing gelezen over de interpretatie van artikel 22 lid 2 van de Bankwet. Dit is onze zienswijze op deze interpretatie.

Onlangs is Artikel 22 lid 2 van de Bankwet veelvuldig besproken in de media. Wat zegt dit artikel eigenlijk?
Artikel 22 lid 2 van de Bankwet: ...Een persoon tegen wie een vonnis wegens misdrijf dan wel ter zake van enig delict van financieel-economische aard is uitgesproken, in Suriname of in het buitenland, is niet benoembaar tot president
van de Bank...

Verder zegt het artikel:
...Evenmin is tot president van de Bank benoembaar, een persoon tegen wie een strafrechtelijk onderzoek naar misdrijf dan wel ter zake van enig delict van financieel-economische aard is ingesteld geweest, of gaande is, in Suriname of in het buitenland, ter zake waarvan door betaling van een som geld aan de bevoegde justitiële autoriteiten, is afgezien, of zal worden afgezien van verdere vervolging.
Dit laatste zinsdeel van het artikel zegt dat indien iemand een bedrag betaald heeft, waarmee de strafzaak afgedaan is, niet benoembaar is. Gezien het feit dat dit zinsdeel van het artikel overduidelijk is, zullen wij hierop niet verder ingaan. Tot dusver zijn wij het ook eens met de heer Jadnandansing. 

Wij zullen vooral op het eerste zinsdeel van het betreffende artikel ingaan.
Stel dat iemand veroordeeld is en dus een vonnis op zijn naam heeft, maar tegen die veroordeling hij in beroep is gegaan. In hoger beroep wordt hij bijvoorbeeld vrijgesproken. Hoewel hij in hoger beroep vrijgesproken is, is hij wel in aanraking gekomen met justitie.
Het eerdergenoemde wetsartikel, zegt niet dat er sprake moet zijn van een 'onherroepelijk vonnis' (een vonnis waartegen geen beroep meer mogelijk is en dus vast staat). Het artikel zegt dat er sprake moet zijn van een 'uitgesproken vonnis', dus ook een vonnis dat later in hoger beroep eventueel vernietigd zou kunnen zijn (vrijspraak). 

Uit het systeem van het recht volgt in het algemeen dat indien een vonnis in hoger beroep nietig is verklaard (vrijspraak), het vonnis geacht wordt niet te zijn uitgesproken. Ook volgt uit het algemeen systeem van het recht dat er sprake moet zijn van een 'onherroepelijk vonnis' dat iemand veroordeeld is, wil je dit vonnis tegen hem gebruiken. Met andere woorden, een veroordelende vonnis waartegen iemand nog in beroep kan gaan, staat nog niet vast voor altijd (nog niet onherroepelijk). In beroep kan het nog vernietigd worden.
Echter is in het systeem van de Bankwet een uitzondering gemaakt op deze algemene regel van het recht, vooral gelet op het grote belang dat deze wet dient; er is ervoor gekozen dat ook indien een vonnis later nietig verklaard zou zijn (vrijspraak), dan nog zou dit bezwaren opleveren tegen een benoeming van een dergelijk persoon. (herhaling: De Bankwet heeft het niet over 'onherroepelijk vonnis', maar simpelweg over 'uitgesproken vonnis'.

Waarom is in de Bankwet voor deze uitzondering op de algemene regel gekozen?
Door het eerdere vonnis is de betreffende persoon in aanraking gekomen met justitie en daar draait het om. Gezien de zwaarte van de functie, het belang van een goed financieel systeem waarop de hele maatschappij draait en dus ook het belang van een goed functionerende moederbank, is het niet gewenst dat iemand die eerder in aanraking is gekomen met justitie, de scepter zwaait bij deze bank. 

Een vrijspraak in hoger beroep wil niet zeggen dat de persoon het feit niet heeft gepleegd. Vrijspraak wil zeggen dat er niet genoeg bewijzen zijn om de veroordeling in stand te laten. Dus een dergelijke persoon heeft wel de schijn tegen zich, maar het kan niet bewezen worden. Een governor bij de moederbank dient vrij  te zijn van elke schijn tegen zich en dat is niet het geval bij een vrijgesproken veroordeelde. De bankpresident dient van onbesproken gedrag te zijn. Met een vonnis is het gedrag van een dergelijk persoon dus wel besproken en heel breed ook.

Als je bijvoorbeeld een dure verzekering afsluit, wordt er bijvoorbeeld gevraagd of je ooit in aanraking bent gekomen met justitie; er wordt niet gevraagd of je een vonnis op je naam hebt. Ga je ergens voor een iets zwaardere functie solliciteren, wordt dezelfde vraag gesteld. Hiermee wil men voorkomen dat men te maken krijgt met iemand die de schijn tegen zich heeft. In aanraking gekomen zijn met justitie impliceert “de schijn tegen zich hebben”. 

Sunil Sookhlall
Co-auteur: Kries Mahabier
Advertenties

Thursday 27 February
Wednesday 26 February
Tuesday 25 February