Column: Woede
19 Oct 2015, 11:42
foto
Sandew Hira


Afgelopen vrijdag had ik een ontmoeting met slachtoffers en nabestaanden van militairen van het Nationaal Leger. Op mijn persconferentie van afgelopen zaterdag heb ik er iets over verteld. Maar er is veel meer.

Ik had mijn contactpersoon bij de regering gevraagd om deze ontmoeting te organiseren. Ik wilde de families van de andere kant van de barricade leren kennen. Henk Amstelveen en Gio Nijbroek gingen hiermee aan de slag. Het was niet zo eenvoudig. Sommige mensen willen niet praten. Ze hebben pijn en verdriet en denken dat zwijgen de beste manier is om hiermee om te gaan, omdat praten de wonden weer openmaakt. Maar ik heb eerder uitgelegd dat zwijgen ook een straf is, de straf van verdringing.

Het is heel anders gegaan dan ik mij had voorgesteld. Ik heb in mijn leven talloze bijeenkomsten geleid. Maar dit was van een andere orde en zonder de therapeutische inbreng van Amstelveen was het op een ramp opgelopen.

Ik begon uit te leggen wie ik ben en waarom ik als nabestaande van een slachtoffer van de Decembermoorden wil praten met nabestaanden van militairen en slachtoffers van oorlogsgeweld. Ik heb het geweten.
Er zijn 600 gewonden en 72 doden aan de zijde van het Nationaal Leger. Dat zijn 672 families die nog dagelijks te maken hebben met de gevolgen van de oorlog. Bij 8 Decembermoorden gaat het om 15 families. Er is dus een grote groep die zit met woede en wrok, en die richt zich tegen de mensen van 8 December, inclusief mijn persoon.

Net als 8 December is de Binnenlandse Oorlog niet uit de lucht komen vallen. Een vrouw wier man in zijn gezicht is geschoten en zijn hersenen als gehakt bij elkaar geraapt moest worden, begon: “Ieder jaar moeten we vanaf 1 december al beginnen te luisteren naar het geklaag van de nabestaanden van 8 December, naar het leed van hun families. Maar hoe staat het ons verdriet en onze pijn? Zijn wij geen mensen als alle andere mensen? Bij 8 December gaat het nota bene om mensen die de Binnenlandse Oorlog gesteund hebben en daardoor verantwoordelijk zijn voor de moord op mijn man! Waarom moet ik naar hun pijn luisteren en zwijgen over de mijne?” Ik stond met een mond vol tanden.

Als ze boos zijn over de nabestaanden van 8 December, dan hebben ze het niet over mensen die geen nabestaanden zijn en het hoogste woord voeren zoals Betty Goede van Organisatie voor Gerechtigheid en Vrede, Hugo Essed, Theo Para of Romeo Hoost. Nee, ze hebben het echt over de nabestaanden die in media hun mond roeren: Sunil Oemrawsingh, Henri Behr, Eddy Wijngaarde, Kanta Adhin en … Sandew Hira. Ze hebben het over politici zoals Chan Santokhi en Gregory Rusland die wel een voorstander zijn van een amnestiewet die de moordenaars van hun broer, man of zoon vrijpleiten en tegen een amnestiewet die voorkomt dat militairen van de Binnenlandse Oorlog en 8 december voor de rechter worden gesleept.

Zij voelen een diep wrok over de dubbele moraal die gehanteerd wordt en die wrok kwam als een moker in mijn gezicht. Ik had eerder de gruwelijke verhalen gehoord over Hendrie Tjokrodirjo die in stukje was gekapt, een militair die onthoofd was, een andere die aan een kruis werd genageld en daarna in brand gestoken of twee jongens die gevangen genomen werden en hun hersenen met pikhouwelen verbrijzeld zijn. Maar nu hoor ik hoe de families met het verlies van hun dierbaren omgaan en slachtoffers met hun verwondingen. Een zoon vertelt over het verlies van zijn vader en oom en hoe zijn oma letterlijk gek geworden is van verdriet. Als kleine jongen zie hij haar zwerven op straat en in vuilnisbakken rommelen. Als hij haar aanspreekt behandelt ze hem liefdevol en legt hem uit dat hij een goed leven moet leiden. Nu hij ouder wordt, ziet hij dat beeld en denkt vaak aan hoe het oorlogsverdriet zijn grootmoeder geestelijk kapot heeft gemaakt. Hij vertelt het verhaal in tranen. Het verdriet vloeit door de harten van alle aanwezigen.

Een soldaat die meegedaan heeft aan de acties in Moiwana staat op en begint vol emotie aan zijn verhaal, maar plotseling wordt hij stokstijf en kijkt versteend uit zijn ogen. Ik leid de bijeenkomst en ben volledig in de war. Zie ik het goed dat de man helemaal niet beweegt en als een standbeeld bevroren lijkt? Ik heb geen idee van wat te doen, maar Henk Amstelveen staat op, houdt de man vast, slaat hem in zijn gezicht, praat met hem en schudt hem door elkaar. Hij komt weer tot leven en ik sta verbijsterd te kijken. Hij gaat niet verder met zijn verhaal maar verlaat de groep om even verderop opgevangen te worden door Amstelveen.
Een militair die zijn been kwijt is omdat hij op een landmijn is gestuit, vertelt over hoeveel moeite zijn familie had om dit nieuwe leven te accepteren.

Een oude vader begint met wanhoop aan de grootste vraag in zijn leven: waar is mijn zoon? Zijn zoon is tijdens de oorlog vermist geraakt. Het leger kon hem niet vinden en met het Jungle Commando is er geen traject om te helpen zoeken naar zijn zoon. Terwijl hij dit vertelt, ga ik dichter bij hem staan. Hij barst plotseling in tranen uit. Ik weet niet wat ik met de situatie aan moet. Amstelveen komt achter me staan en zegt: “Hou hem vast.” Ik hou de man vast als een zoon zijn vader zou vasthouden en hij trekt me naar hem toe en drukt mij dicht tegen zijn borst terwijl zijn tranen vloeien.

Een grote militair staat op en begint huilend tegen me uit te varen: “Kijk wat je doet. Je maakt oude wonden open. Kijk wat met deze families is gebeurd en het leven dat ze leiden vol pijn en verdriet. En wij moeten maar luisteren naar de pijn en het verdriet van mensen die ons voor moordenaar uitmaken. De man die bankovervallen en moorden pleegt wordt afgeschilderd als een Robin Hood en wij die opgeroepen worden om het land te verdedigen, worden afgeschilderd als misdadigers.” Hij gaat door en door. Ik ga bij hem staan maar durf niets te zeggen, totdat ik zeg: “Sorry dat ik dit heb veroorzaakt.” Hij stopt met tieren en houd me huilend vast: “Ik weet dat je het goed bedoelt.”
Na de pauze zijn de gemoederen tot bedaren gekomen mede dankzij het veelvuldig optreden van Amstelveen die mensen opvangt die weglopen uit de groep. Ik had intussen iedereen individueel gesproken, inclusief de ex-militair die versteend was.
Ik legde het idee voor om een Comité slachtoffers en nabestaanden van politiek geweld op te richten met als doel alle families te verenigen om erkenning te vragen voor de pijn en het verdriet dat politiek geweld heeft veroorzaakt bij het Surinaamse volk, ongeacht de politieke oorzaak van het geweld. Ik als nabestaande van een slachtoffer van 8 December vroeg hen om steun. De grote militair die zo tegen me te keer ging, gaf als eerste antwoord. Namens iedereen benadrukte hij dat hij het een goed initiatief vindt en dat wil ondersteunen.
De sfeer sloeg om van verwijtend naar bezorgdheid. De discussie ging nu over mijn veiligheid. Ben ik wel voorzichtig? Zal ik niet vermoord worden door de Nederlanders inlichtingendienst of door krachten die zich nu tegen mij keren?

Ik vond het emotioneel slopende bijeenkomst. Ik wist niet goed hoe ik moest omgaan met de felle emoties. Als Amstelveen er niet was geweest met zijn deskundigheid, had dit heel anders kunnen lopen. Ik ben erg dankbaar voor zijn bijdrage.

We hebben een lange weg te gaan, maar deze mensen hebben me het gevoel gegeven dat het mogelijk moet zijn om een periode van oorlog – militaire en psychologische oorlog – te kunnen afsluiten en een periode van vrede tegemoet te gaan, van verzoening en dialoog.

Sandew Hira