Carlo Jadnanansing
In de media is een discussie losgebarsten over de reactie van de PG op het verzoek van de DNA-commissie om in het parlement uitleg, of misschien zelfs rekenschap, te geven over de vordering van de PG tot het in staat van beschuldiging stellen van een drietal gewezen ambtsdragers. Deze materie is geregeld in de Wet In Staat van Beschuldigingstelling en Vervolging Politieke Ambtsdragers (WIPA).

De vordering wordt door de PG aan DNA gedaan en moet een korte feitelijke omschrijving bevatten van het misdrijf dan wel de misdrijven waarvan de politieke ambtsdrager of gewezen politieke ambtsdragers worden verdacht, alsmede de toepasselijke wetsartikelen. Verder geeft de wet geen enkele opdracht of instructie aan de PG. Dit betekent dat, indien de PG de vordering op correcte wijze verricht, zijn wettelijke taak daarmee is volbracht.

Marginale toetsing door DNA?

Marginale toetsing zou hier niet ter sprake worden gebracht, ware het niet dat dit begrip in de media aan de orde is gesteld. Daarbij is de mening geuit dat de toetsing die DNA moet verrichten een marginale toetsing zou moeten zijn. Deze opvatting lijkt echter onjuist.
Onder marginale toetsing wordt kortweg verstaan: de beoordeling van een beslissing waarbij wordt getoetst of die beslissing, gelet op de daarbij betrokken belangen, in redelijkheid had mogen worden genomen. De marginale toetsing beperkt zich tot een toets op aperte onredelijkheid. De rechter (of andere toezichthouder) mag dus niet op de stoel van de beslisser gaan zitten.

In de procedure van de WIPA is er echter geen sprake van een genomen besluit dat getoetst moet worden. Artikel 5 van de WIPA bepaalt dat DNA niet treedt in de beoordeling van de gegrondheid van het aanmerken van de betreffende politieke ambtsdrager of gewezen politieke ambtsdrager als verdachte in de zin van het strafvorderingsrecht, doch uitsluitend beoordeelt of diens vervolging in politiek-bestuurlijk opzicht in het algemeen belang moet worden geacht. Hoewel er enige gelijkenis lijkt te bestaan met marginale toetsing, gaat het in de WIPA-procedure om een politieke toetsing. Het gaat om vragen als: gaat het om een politieke vervolging en zal deze mogelijk onrust in de samenleving veroorzaken?

Onmiddellijke gevangenneming
Een andere vraag is of het juist is dat de PG, voorafgaand aan de beslissing op de vordering en terwijl het nog onzeker is of vervolging c.q. berechting zal plaatsvinden, reeds in deze fase onmiddellijke gevangenneming mag eisen. In het kader van dit artikel wordt deze vraag onbeantwoord gelaten.

Triasleer

Indien de PG op het verzoek om in DNA informatie te verschaffen was ingegaan, bestaat de mogelijkheid dat politieke beïnvloeding zou kunnen optreden in een strafrechtelijk proces. Het gevaar van "vervuiling" van het strafrechtelijk onderzoek is dan aanwezig. De triasleer (veelal aangeduid als de scheiding der machten, hoewel ik de voorkeur geef aan de term spreiding der machten) speelt hierbij eveneens een belangrijke rol. Vervolging behoort tot het exclusieve domein van het Openbaar Ministerie, dat deel uitmaakt van de rechterlijke macht in ruime zin. Aan DNA is, samen met de regering, in beginsel de wetgevende macht toebedeeld.

De vraag is of de toetsing volgens de WIPA een wetgevende taak betreft, maar zij vormt in ieder geval de uitoefening van een wettelijke opdracht. Volgens de triasleer dienen de staatsmachten zoveel mogelijk op hun eigen terrein te blijven. Het gaat om het bewaren van een evenwicht tussen de machten, oftewel om checks and balances.

Het laten opdraven van de PG in DNA zou een verstoring van dit evenwicht kunnen veroorzaken en zou in ieder geval de schijn kunnen wekken van politieke inmenging in een strafrechtelijke procedure. Anderzijds moet worden opgemerkt dat het niet onredelijk is dat DNA verduidelijking van de vordering van de PG nodig acht. Het besluit van de PG om deze informatie schriftelijk te verstrekken, moet in dit verband als de beste oplossing worden gezien.

Afschaffing WIPA-procedure

Terugkomend op hetgeen ik in eerdere publicaties, samen met vele anderen, heb gesteld, namelijk dat de procedure voor politieke ambtsdragers, zoals geregeld in de WIPA, haar langste tijd heeft gehad, maak ik de volgende opmerkingen. Met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel dienen in deze tijd alle burgers op dezelfde wijze te worden vervolgd.

In de meeste moderne landen is men reeds tot dit inzicht gekomen. Ook in Nederland, waaraan wij onze WIPA-procedure danken, is een wetsontwerp aanhangig dat waarschijnlijk nog dit jaar zal worden aangenomen. De achterhaalde procedure zoals neergelegd in onze WIPA zal daar eveneens tot het verleden gaan behoren. Opgemerkt mag worden dat binnen het Koninkrijk der Nederlanden Sint Maarten reeds in 2010 het voortouw heeft genomen, waardoor aldaar alle burgers op gelijke wijze worden vervolgd en berecht.

Ten slotte

Het besluit van de PG op het verzoek van de DNA-commissie is op hoffelijke wijze genomen.

Carlo Jadnanansing