Farsi Khudabaks
Aannemingsbedrijf Baitali NV heeft hoger beroep ingesteld tegen het recente vonnis van de kantonrechter in de slepende juridische kwestie rond het infrastructurele project aan de Van 't Hogerhuysstraat. Volgens directeur Farsi Khudabaks heeft het hoger beroep niets te maken met het stilleggen of belemmeren van de werkzaamheden, maar uitsluitend met de volgens het bedrijf onterechte diskwalificatie tijdens de aanbestedingsprocedure.

De kantonrechter wees onlangs de vordering van Baitali af om de eerder opgelegde dwangsom te verhogen en daarmee de Staat en het ministerie van Openbare Werken en Ruimtelijke Ordening (OWRO) te dwingen uitvoering te geven aan het vonnis van 10 juli 2025. Ook bepaalde de rechter dat Baitali geen handelingen mag verrichten die de voortgang van de werkzaamheden kunnen belemmeren. Daarnaast werd de tenuitvoerlegging van het vonnis van 10 juli 2025 geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan in hoger beroep.

Khudabaks zegt tegenover Starnieuws dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de wijze waarop de rechter tot het laatste vonnis is gekomen. "Dit heeft vanaf het begin niets te maken gehad met de uitvoering van het werk. Het gaat om de diskwalificatie van Baitali bij de aanbesteding. De rechter heeft in 2025 al geoordeeld dat die diskwalificatie onterecht was en dat de aanbesteding opnieuw moest plaatsvinden," zegt hij.

De juridische strijd begon nadat het infrastructurele project in 2025 werd gegund aan Kuldipsingh Infra. Baitali stapte daarop naar de rechter, omdat het bedrijf van mening was dat het ten onrechte was uitgesloten van deelname aan de aanbesteding. 

De voorzieningenrechter stelde Baitali destijds op belangrijke punten in het gelijk. In het vonnis werd geoordeeld dat de diskwalificatie van het bedrijf niet op de juiste gronden had plaatsgevonden. De Staat werd opgedragen de aanbestedingsprocedure opnieuw uit te voeren en de uitsluiting van Baitali opnieuw te beoordelen.

De uitvoering van dat vonnis kwam echter onder druk te staan nadat de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB), die het project financiert, aangaf dat een nieuwe aanbesteding de financiering van het project in gevaar zou kunnen brengen. Volgens de bank diende het project daarom te worden voortgezet door Kuldipsingh, aan wie het werk na de aanbesteding was gegund.

Khudabaks zegt zich ervan bewust te zijn dat het instellen van hoger beroep opnieuw kritiek vanuit de samenleving kan oproepen. Volgens hem is de publieke opinie echter vanaf het begin gevoed door onjuiste informatie, met name door OWRO. "Er is het beeld ontstaan dat Baitali tegen de uitvoering van het project is, maar dat is nooit het geval geweest. Ook nu zijn wij niet tegen de werkzaamheden die worden uitgevoerd," stelt hij.

Volgens de directeur wordt momenteel bovendien niet gewerkt volgens de oorspronkelijke contractuele uitvoering, maar is sprake van een tijdelijke oplossing. "Dat had allang kunnen gebeuren. Daar heeft Baitali helemaal niets mee te maken. Waar het ons om gaat is de diskwalificatie, waarvan de rechter eerder heeft vastgesteld dat die onterecht was."

Volgens Khudabaks richt het hoger beroep zich vooral op de juridische procedure die de kantonrechter heeft gevolgd in het meest recente vonnis. Overigens gaat het ook om de vraag of een kortgedingrechter de executie van een eerder uitvoerbaar-bij-voorraad verklaard vonnis mag schorsen op grond van het algemeen belang en de financiering door de IDB. Baitali is van mening dat de rechter het geschil over de diskwalificatie had moeten verwijzen naar een bodemprocedure. Daarnaast plaatst het bedrijf vraagtekens bij het meewegen van het algemeen belang als grond om de tenuitvoerlegging van het eerdere vonnis te schorsen.

Met het hoger beroep vraagt Baitali het Hof van Justitie zich opnieuw uit te spreken over de juridische afwikkeling van de aanbestedingskwestie en de gevolgen van de volgens het bedrijf onterechte diskwalificatie.