De daadwerkelijke reden waarom de politieke retoriek en de feitelijke ontwikkelingsaanpak in Suriname niet synchroon lopen, ligt diep verankerd in het bekrompen etnisch denken van onze politieke leiders. Vanwege de grote gevoeligheid van dit onderwerp in onze samenleving durft men dit nauwelijks openlijk te benoemen. Juist hierin schuilt echter het kankergezwel van onze inferieure ontwikkelingsstrategie.

Financieringsvraagstukken en managementtekorten zijn op termijn oplosbaar. Het etnische vraagstuk daarentegen is diep gebeiteld in de denkpatronen van zowel beleidsmakers als delen van de bevolking. Willen we hier werkelijk van loskomen, dan vereist dat een fundamentele mentaliteitsverandering.

Beleidsdocumenten zoals verkiezingsprogramma’s, regeerakkoorden en de jaarlijkse overheidsbegroting – gekoppeld aan meerjarenontwikkelingsprogramma’s – functioneren in de praktijk te vaak als rookgordijnen om het volk zand in de ogen te strooien. In theorie zouden deze documenten richtinggevend en normerend moeten zijn voor de ontwikkeling van het land. Dat impliceert dat er op basis van voortschrijdend inzicht voortdurend beleidsbewaking plaatsvindt, door toetsing van het gevoerde beleid aan vastgestelde normen. Evaluatie en zelfreflectie zouden moeten leiden tot effectieve bijsturing, zodat doelstellingen via een strategische aanpak binnen een afgebakende periode worden gerealiseerd.

De praktijk laat echter iets anders zien. Beleidsvoering wordt regelmatig gestuurd door favoritisme, opportunisme en populisme. Sterker nog, besluitvorming wordt vaak beïnvloed door de geografische spreiding van etnische groepen in Suriname. Dat is fundamenteel onjuist. Ontwikkelingsbeleid zou moeten worden gebaseerd op objectieve behoeften en op de mate van ontwikkelingsachterstand per gebied.

Te vaak durven beleidsverantwoordelijken zelfs openlijk te stellen dat achterstandsgebieden geen prioriteit verdienen, omdat bewoners daar onvoldoende zouden bijdragen aan de fiscale inning. Deze redenering is kortzichtig en ondeugdelijk. Als er nooit structureel is geïnvesteerd in de maatschappelijke en economische potentie van een gebied, hoe kan men dan verwachten dat die regio’s fiscaal gelijkwaardig bijdragen aan beter gesitueerde gebieden?

Al decennialang worden publieke middelen nauwelijks ingezet voor basisvoorzieningen in het achterland. Sommige districten lijken bewust uitgesloten van regeringsaandacht, terwijl andere juist disproportioneel worden bediend. Tijdens zware regenval enkele jaren geleden kwamen landbouwpercelen onder water te staan, zonder enige compensatie voor boeren. Na langdurige en omslachtige administratieve trajecten bleef concrete hulp uit. Ook bij het onder water lopen van grote delen van het district Brokopondo – mede als gevolg van gebrekkig waterbeheer bij het stuwmeer – bleef adequaat en voortvarend overheidsoptreden uit. Daartegenover staat dat bij weerscalamiteiten in andere delen van het land, ondanks beperkte financiële middelen, wel alle middelen worden gemobiliseerd om getroffenen te compenseren.

Iedereen weet dat er een noodzakelijke ontwikkelingsnivellering moet plaatsvinden tussen de kustvlakte en de zuidelijke gebieden. In het verleden zijn talloze integrale ontwikkelingsprogramma’s opgesteld en met veel bravoure gepresenteerd door deskundigen. De daadwerkelijke implementatie blijft echter structureel uit. Dat wijst erop dat de oprechte intentie om de situatie daadwerkelijk te verbeteren vaak ontbreekt. Het blijft bij lippendienst om politiek draagvlak te verwerven. Zo worden minder ontwikkelde gebieden in een afhankelijke en kwetsbare positie gehouden, wat politieke machtsverhoudingen in stand houdt.

Surinames multi-etnische samenstelling is uniek in de wereld en wordt ook graag zo gepresenteerd, vooral op feest- en herdenkingsdagen. Dat is op zichzelf terecht. Wat echter afkeurenswaardig is, is dat politieke leiders – zowel in coalitie als oppositie – niet de moed tonen om vanuit nationaal vastgestelde behoeften te werken aan de maatschappelijke verheffing van onze pluriforme samenleving.

Zolang etniciteit leidend blijft boven objectieve ontwikkelingscriteria, zal Suriname blijven steken in verdeeldheid, ongelijkheid en gemiste kansen.

Ettiré Patra