Het budget van de volksvertegenwoordiging is met name voor de bouw van een vergaderzaal en de personeelskosten fors gestegen
Op 15 juni begint de begrotingsbehandeling in De Nationale Assemblee, terwijl honderden miljoenen voetbalfans wereldwijd kijken naar elftallen die alles op alles zetten om te scoren. Ook in Suriname zal er worden gescoord, niet op een voetbalveld, maar in het parlement. 
Coalitieleden zullen de successen van de regering benadrukken. Oppositieleden zullen proberen zwakke plekken bloot te leggen. Ministers zullen hun begrotingen verdedigen. En uiteindelijk zal vrijwel iedereen proberen punten te maken bij de achterban en we zullen vaker horen 'de vorige regering'. 

Politiek zal, zoals gebruikelijk, de boventoon voeren tijdens de begrotingsbehandeling die volgens planning tot 13 juli duurt. Maar achter het politieke spel schuilt een veel belangrijkere vraag: hoeveel ruimte heeft Suriname eigenlijk nog om te investeren in zijn toekomst? Wie de begroting 2026 doorneemt, ziet dat een groot deel van het geld al een bestemming heeft voordat er één nieuwe weg wordt aangelegd, één school wordt gebouwd of één ontwikkelingsproject van start gaat. Salarissen moeten worden betaald. Sociale uitkeringen moeten doorgaan. Subsidies moeten worden gefinancierd. En schulden moeten worden afgelost.

Alleen al de schuldenlast neemt ongeveer dertig procent van de overheidsuitgaven voor haar rekening. Een groot deel van de begroting gaat daarmee naar het verleden en het heden, terwijl er relatief weinig ruimte overblijft voor de toekomst. Dat maakt de discussie over ontwikkeling des te belangrijker. De hoop is vooral gevestigd op oil & gas. De vooruitzichten zijn veelbelovend. Volgens de prognoses zal de economie de komende jaren fors groeien wanneer de offshore olieproductie op gang komt.

Maar 2028 is nog niet vandaag.
● De bevolking leeft in 2026.
● De ondernemer die geen krediet krijgt, leeft in 2026.
● De landbouwer die tijdens de regentijd zijn oogst nauwelijks van het veld krijgt door slechte infrastructuur, leeft in 2026.
● De jongere die op zoek is naar werk, leeft in 2026.
● De patiënt die maanden wacht op een behandeling, leeft in 2026.

Daarom is de vraag niet alleen hoe rijk Suriname straks wordt, maar vooral hoe het land de komende jaren overbrugt. Juist daar schuilt misschien wel de grootste uitdaging. In de publieke discussie lijken de toekomstige olie-inkomsten soms al een zekerheid geworden. Maar de eerste grote inkomsten moeten nog komen. Tot die tijd zal Suriname het moeten doen met de middelen die vandaag beschikbaar zijn. De verleiding is groot om vooruit te kijken naar de rijkdom van morgen, terwijl de problemen van vandaag om oplossingen vragen. Een begroting moet daarom niet alleen gebaseerd zijn op verwachtingen, maar vooral op realistische keuzes voor het heden.

Opvallend is dat tegelijkertijd de begrotingen van DNA en het Openbaar Ministerie fors zijn toegenomen. Ook het Kabinet van de President krijgt aanzienlijk meer middelen ter beschikking. Daar zullen ongetwijfeld argumenten voor zijn, maar juist daarom verdient de besteding van publieke middelen tijdens deze begrotingsbehandeling extra kritische aandacht. Terwijl de overheid oproept tot discipline, efficiëntie en verantwoord omgaan met staatsmiddelen, blijft de discussie over de verhoging van de salarissen van politieke ambtsdragers voortduren. Het terugdraaien daarvan lijkt voorlopig in de parkeerstand te zijn gezet. Vele burgers, die dagelijks worstelen met de kosten van levensonderhoud, moeten een bittere pil slikken. 

Het Financieel Jaarplan erkent bovendien dat de uitvoering van ontwikkelingsprojecten achterblijft en dat de bestrijding van armoede nog altijd een grote uitdaging vormt. Dat is de kern van het debat. De begrotingsbehandeling zou niet alleen moeten gaan over wie meer of minder geld krijgt. Zij zou vooral moeten gaan over de vraag welk Suriname wij willen bouwen voordat de eerste grote oliedollars binnenstromen.

De geschiedenis leert dat natuurlijke rijkdommen op zichzelf geen garantie zijn voor welvaart. Landen worden niet rijk door olie alleen. Landen worden rijk door goed bestuur, sterke instituties, degelijk onderwijs, een gezonde bevolking en een productieve economie. Olie kan daarbij helpen, maar zij kan die fundamenten niet vervangen. De vraag is daarom niet hoeveel olie er straks uit de zeebodem komt. De vraag is of wij de komende jaren de juiste keuzes maken om die toekomstige rijkdom om te zetten in duurzame ontwikkeling voor iedereen.

● Hoe versterken wij het onderwijs?
● Hoe maken wij de landbouw productiever?
● Hoe ondersteunen wij ondernemers?
● Hoe zorgen wij ervoor dat jongeren straks daadwerkelijk kunnen profiteren van de nieuwe economie?
Dat zijn de doelpunten die tellen.

Op 15 juni begint het politieke debat. Maar buiten het parlementsgebouw kijkt een bevolking mee die uiteindelijk maar één vraag heeft:
Wordt mijn leven hierdoor beter? Dat is de score die ertoe doet.

Nita Ramcharan