Spoedeisend belang een fictie?
03 Dec, 10:06
foto


Onverwacht werd aan mij de vraag gesteld of er reeds een aanvang is gemaakt met het slopen van het bouwsel op de  hoek van de Freon-, de Graniet- en de Anamoestraat. Natuurlijk begreep ik dat sarcastische element in die vraagstelling. Jammer dat het een gerespecteerde socioloog tevens ervaren onderzoeker in de Republiek Suriname betreft.

Aanleiding was mijn artikel d.d. 15 november jl. met als titel ‘Een spoedeisend belang’.  Mijn reactie was daarom onbedoeld vel. U weet of wordt geacht te weten dat op dit stuk wij nog steeds in een bananen republiek wonen, want in een geciviliseerde samenleving zou de overheid/ Staat dat spoedeisende karakter zeker begrijpen en aandacht voor de welstandsomstandigheden van de burgers erkennen.

Van die socioloog, een fanatieke denker, had ik als bestuurskundige zo een middelmatige opmerking niet verwacht.
Inderdaad een vreemde ontwikkeling want sedert 15 oktober 2020 heeft de rechter de te volgen procedure en voorwaarden bij deze rechtsingang aan  betrokkenen bekendgemaakt. Deze zijn gedaagde sub A  (namens de Staat het ministerie van Openbare werken) en gedaagde sub B in persoon de vergunninghouder.
Daaruit blijkt dat vanaf 5 november 2020 partijen de mogelijkheid hadden om te concluderen voor eis. Indien gedaagden op de eerste dag van de behandeling van de zaak d.d. 5 november 2020 niet in staat is te concluderen voor antwoord, zal hen daartoe uitstel worden verleend tot 19 november 2020, zonder uitstel. Dit is nadrukkelijk door de rechter gesteld.

Toch zien wij dat met de meeste spoed door de vergunninghouder verder wordt gebouwd om de rechter voor een voldongen feit te plaatsen. Het  bedenkelijke is dat het ministerie wel, conform de mededeling van de rechter, op 5 november 2020 conclusie van antwoord te kennen heeft gegeven maar dat van de vergunninghouder geen enkele reactie is ontvangen met uitzondering van een voorstel om tot een schikking te komen.

Op 20 november 2020 ontving ik  van de Minister van Openbare Werken Dr. Riad J. Nurmohamed een schrijven, als reactie op mijn schrijven d.d. 17 oktober 2020, waarvoor mijn dank. Helaas heb ik niet veel van doen met de inhoud t.w. “dat het verrichten van een buurtonderzoek als onderdeel van de procedure ter verlening van een bouwvergunning , betreft een aangelegenheid welke ingevolge de Hinderwet de districtscommissaris van het betreffende ressort regardeert”.

Als ter zake deskundige maar ook als gekwalificeerde  wetenschapper weet u als Minister dat, krachtens het Staatsbesluit taakomschrijving der departementen van algemeen bestuur, op het ministerie van Openbare Werken ( concreet de directeur), uitsluitend de bouwtechnische beoordelings- en toetsingsplicht van het bouwplan rust ingevolge de vigerende bouwregelgeving. Echter rust ook op  hem de plicht om als  overheidsfunctionaris voordat de vergunning wordt afgegeven, zich ervan te overtuigen dat, in verband met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (ABBB) met name het zorgvuldigheidsbeginsel, alle bijbehorende bescheiden deel uitmaken van het verzoekschrift.

Beide ambtenaren, zowel de directeur van Openbare Werken als de districtscommissaris hebben de plicht als overheidsfunctionaris t.o.v. de burger alle vigerende wettelijke bepalingen in acht te nemen, bij de uitoefening van hun werkzaamheden. Bovendien moet een bouwvergunning worden geweigerd als het bouwplan waarvoor gevraagd wordt, in strijd is met het bestemmingsplan, de zogenaamde gebonden beschikking.
Het feit dat ik deze kwestie in het openbaar ter discussie stel is omdat het een woonwijk betreft en het eveneens een algemeen belang herbergt.

Misschien zou het in het kader van onze 45 jarige Staatkundige Onafhankelijkheid een daad van volwassenheid blijken om bij een dergelijk negeren van de vigerende wettelijke regeling inderdaad tot slopen van het bouwsel over te gaan.

Eugène van der San
Advertenties