Rechterlijk pardon bij aanrijding met dodelijke afloop
18 Nov, 10:26
foto
Carlo Jadnanansing


Samenvatting

Een automobiliste (A) nadert met haar personenvoertuig, komende over de Drambandersgracht vanuit de richting Tammengastraat, het kruispunt van de J.A. Pengelstraat. Deze straat is een voorrangsweg bestaande uit een linker- en een rechterrijbaan. Geheel volgens de regels stopt A bij de kruising. Ze neemt een voertuig (B) waar dat rijdt op de linkerrijbaan van de J.A. Pengelstraat met een inwerking zijnde linker richtingaanwijzer. Hieruit trekt A de begrijpelijke conclusie dat het desbetreffende voertuig linksaf zal slaan, waarna zij optrekt om de kruising over te steken. Terwijl zij hiermee bezig is, ziet zij dat het gesignaleerde voertuig(B) niet linksaf slaat, maar rechtdoor blijft rijden.

A stopt daarom haar oversteekpoging en staat even stil. Op dat moment komt er een auto (C) aangereden op de rechter rijbaan van J.A. Pengelstraat die stopt om A voorrang te verlenen. A trekt vervolgens op, maar komt in botsing met een op de linkerrijbaan rijdend voertuig (D) dat aan haar zicht was onttrokken door voertuig C. Ten gevolge van de aanrijding wordt de auto van A van de weg geslingerd en raakt daarbij onder meer een grootvader en zijn kleinzoon die zich op hun terras nabij het trottoir bevinden. Hierbij komt de grootvader vrijwel terstond te overlijden, terwijl de kleinzoon ernstig verwond wordt. De Kantonrechter komt tot de conclusie dat het handelen van de automobiliste A grove schuld oplevert en veroordeelt A voor de misdrijven ‘dood door schuld’ en ‘zwaar lichamelijk letsel door schuld’. Het verrassende in deze zaak is dat de Kantonrechter geen straf uitspreekt, maar A rechterlijk pardon geeft, hetgeen betekent dat A vrijuit kan gaan.
De reden hiervoor is gelegen in het feit dat A na de aanrijding zich ontfermd heeft over de kleinzoon en hem en zijn getroffen familie financieel heeft ondersteund.


In het onlangs verschenen tweede nummer van het Surinaams Juristenblad (SJB 2018 nummer 2) is er een belangwekkend vonnis geplaatst van de kantonrechter de dato 23 november 2017 waarbij laatstgenoemde een verdachte die zich schuldig gemaakt had aan een aanrijding met dodelijke afloop, een rechterlijk pardon heeft verleend. Het vonnis is voorzien van een noot (commentaar) van Mr. E.F. Bueno, voormalig vicepresident inhoudelijk adviseur van de Rechtbank Utrecht en expert op het gebied van het verkeersrecht in Nederland.

Wat is een rechterlijk pardon?
Het rechterlijke pardon is voor misdrijven (zwaardere strafbare feiten) in de Surinaamse wetgeving ingevoerd bij wet van 30 maart 2015 (SB 2015, 644) en geregeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) en luidt als volgt:
Indien de rechter dit raadzaam acht met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, kan de rechter in het vonnis bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
De memorie van toelichting op dit artikel is vrij summier en zegt alleen maar dat het nieuwe artikel de bevoegdheid aan de rechter geeft om na een bewezenverklaring af te zien van enige strafoplegging bijvoorbeeld vanwege de geringe ernst van het feit of de persoon van de dader. Voor overtredingen (lichtere strafbare feiten) was het rechterlijk pardon reeds geregeld in artikel 345 Wetboek van Strafvordering (WvSv).

In het Nederlands recht waar ons recht op gebaseerd is bestond het rechterlijk pardon voor misdrijven reeds eerder (1983).

Bij mijn weten is het hieronder te vermelden geval het eerste waarbij de Surinaamse rechter voor een misdrijf een rechterlijk pardon heeft uitgesproken. Dit kan echter niet met zekerheid gesteld worden daar, zoals in eerdere artikelen door mij is vermeld, de Surinaamse jurisprudentie reeds decennia lang niet meer gepubliceerd wordt. Het enige medium dat Surinaamse rechtspraak op regelmatige basis publiceert, is het SJB. Het betreft echter rechterlijke uitspraken die op vrij willekeurige basis naar de redactie ter publicatie worden toegezonden. De redactie op haar beurt maakt veelal weer een selectie uit de toegezonden vonnissen.

Casus
In het onderhavige geval was het zo dat de verdachte, hierna te noemen: “V”, met de door haar bestuurde auto vanuit de Drambandersgracht komende uit de richting van de Tammengastraat het kruispunt van de J.A. Pengelstraat naderde. Zij stopte daarbij voor de kruising maar omdat, voor haar van rechts, een voertuig naderde met in werking zijnde linker richtingaanwijzer, trekt zij op. Toen ze zag dat het naderende voertuig ondanks de richtingaanwijzer rechtdoor reed, is zij weer gestopt, daarbij de linkerrijbaanhelft van de J.A. Pengelstraat daarbij gedeeltelijk versperrend. Een tweede voertuig dat voor de verdachte van rechts kwam aanrijden over de linkerrijbaanhelft, stopt om V de gelegenheid te geven over te steken. Dit laatste voertuig ontneemt V echter het zicht op voor haar van rechts over de rechterrijbaanhelft van de J.A. Pengelstraat naderend verkeer. V trekt daarna op en komt in botsing met een over de rechterrijbaanhelft rijdende auto. V’s auto wordt, gezien haar rijrichting, naar links weggeslagen en komt onder meer in aanraking met een grootvader en zijn kleinzoon die zich op hun terras bevinden. Hierbij komt de grootvader vrijwel terstond te overlijden en de kleinzoon wordt ernstig verwond.

De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van grove schuld. Dit houdt in dat V hoogst onvoorzichtig, hoogst roekeloos en hoogst onoplettend heeft gehandeld. De woorden “hoogst” geven aan dat het geen gewone mate van schuld is maar een grove vorm daarvan. Schuld kan in het algemeen vertaald worden met het begrip verwijtbaarheid. De mate van verwijtbaarheid is echter van belang voor het duiden van een strafbaar feit als overtreding of als misdrijf. Voor een overtreding is een lichte mate van schuld reeds voldoende terwijl voor een misdrijf een grove mate van schuld is vereist. (De zwaarste vorm van verwijtbaarheid is echter opzet, willens en wetens handelen, maar deze vorm is in casu niet van toepassing).
Terugkomende op het onderhavige geval is het zo dat de kantonrechter het handelen van V bestempeld heeft als grove schuld waardoor zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan de misdrijven dood door schuld en zwaar lichamelijk letsel door schuld.

Een niet ingewijde zou zich kunnen afvragen of het oordeel van de kantonrechter over het handelen van V wel juist is. Dit omdat haar handelen voor sommigen volkomen begrijpelijk is. Vanuit het verkeersrecht gezien is het volgens de annotator Mr. Bueno volkomen terecht wat de kantonrechter beslist heeft. Hij stelt dat de meest ernstige fout die de veroordeelde maakte was te veronderstellen dat de bestuurder van de voor haar van rechts naderende auto met inwerking zijnde linker richtingaanwijzer ook daadwerkelijk links af zou slaan. Mr. Bueno wijst erop dat V pas had mogen optrekken als zij vastgesteld had dat de bestuurder daadwerkelijk een begin maakte met links afslaan. Daarbij moest ze zich er ook van overtuigen dat het kruisingsvlak geheel vrij was. Dit omdat de verplichting voorrang te verlenen in het verkeersrecht absoluutis. Het in het verkeersrecht geldende veiligheidsbeginsel houdt in dat iedere weggebruiker bij zijn of haar gedrag zich moet laten leiden door zekerheden en niet door veronderstellingen .

Ten onrechte heeft V zich dus er niet van vergewist dat eventueel achter die auto verscholen verkeer naderde en bovendien niet vastgesteld of dat eventueel naderend verkeer, duidelijk zicht- en kenbaar ook voor haar stopte om haar te laten oversteken. Kenbaar, omdat het enkele stoppen nog niet betekent dat de bestuurder afstand doet van zijn recht op voorrang. Dit laatste is gebaseerd op de jurisprudentie van de Hoge Raad in Nederland.

Interessant is dat de annotator een uitspraak van een Nederlandse kantonrechter aanhaalt die gesteld heeft dat auto rijden ‘werken’ is. Hiermee geeft hij dus aan dat je bij autorijden altijd alert moet zijn, daar de veiligheid voor een ieder voorop moet staan. Maar tevens merkt Mr. Bueno op dat in het onderhavige geval ondanks de schuld van V, haar houding niet geheel onbegrijpelijk is. Dit komt mede tot uiting in de niet alledaagse uitspraak van de kantonrechter.

Maar de belangrijkste reden voor het niet opleggen van een straf aan V, is gelegen in omstandigheden die zich na het feit hebben voorgedaan. Zij heeft zich na de aanrijding ontfermd over de overlevende kleinzoon die toen zeven jaar oud was. Daarbij heeft ze het slachtoffer gedurende zijn opname in het ziekenhuis constant begeleid. Niet alleen financieel, maar zij heeft als gepensioneerde onderwijsinspecteur hem in de gelegenheid gesteld onderwijs te volgen tijdens zijn verpleging. Hierdoor heeft hij het schooljaar met goed gevolg kunnen afronden. V heeft verder aangegeven de nabestaanden blijvend financieel te zullen ondersteunen.
Op grond hiervan komt de kantonrechter tot de uitspraak:
- Verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan de misdrijven dood door schuld en zwaar lichamelijk letsel door schuld;
- Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd (rechterlijk pardon).

Voor welke misdrijven geldt het rechterlijk pardon?
Uit de bewoordingen van artikel 9a WvSr zou afgeleid kunnen worden dat de wetgever het oog gehad heeft op niet ernstige misdrijven. Opgemerkt kan worden dat het woord ernstig arbitrair is. Wat de één ernstig vindt, kan door de ander als niet ernstig worden beoordeeld. Het niet ernstige karakter zou gehaald kunnen worden uit de eerste regel van de wetstekst waarbij vermeld staat “de geringe ernst van het feit”. Maar de zin loopt verder en zegt dat ook de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, een rol kunnen spelen.
In het onderhavige geval kan niet gesproken worden van geringe ernst van het feit. Dit omdat het om een misdrijf gaat, waarbij een dode en een zwaar gewonde te betreuren vallen.

Maar er was geen sprake van opzet in de zin van willens en wetens handelen. Bij zeer ernstige misdrijven als moord of doodslag is wel opzettelijk handelen vereist. De vraag rijst daarom of het rechterlijk pardon ook bij laatstgenoemde misdrijven zou kunnen worden toegepast. Persoonlijk ben ik van mening dat zulks niet de bedoeling van de wetgever is geweest, maar ik acht toepassing van het rechterlijk pardon ook voor misdrijven van ernstige aard niet geheel onmogelijk.
In het beperkte kader van dit artikel wordt hierop verder niet ingegaan, maar een ieder wordt wel aanbevolen de woorden van de Nederlandse kantonrechter goed in de oren te knopen: “autorijden is werken”!

Carlo Jadnanansing