Onlangs viel mij een radiospot van Suribet op waarin in het Sranan wordt gezegd: “Soso bigisma e teri, gi pikin-nengre Suribet ne seri.” Vrij vertaald: alleen voor volwassenen, aan minderjarigen wordt niet verkocht. Opvallend vond ik niet de boodschap over gokken, maar de manier waarop de uitdrukking “pikin nengre” wordt gebruikt.

Historisch gezien komt dat begrip uit een heel andere tijd. Letterlijk verwijst het oorspronkelijk naar een “klein negerkind” en draagt het onmiskenbaar sporen van het koloniale en slavernijverleden met zich mee. Maar in de hedendaagse Surinaamse spreektaal lijkt die betekenis steeds verder te zijn verschoven. In de reclame wordt “pikin nengre” duidelijk niet meer gebruikt als etnische aanduiding, maar als algemene verwijzing naar kinderen of minderjarigen, ongeacht etniciteit of huidskleur.

Dat is taalontwikkeling. Niet vanuit woordenboeken of academische theorieën, maar vanuit het dagelijkse gebruik door gewone mensen. Reclames, straattaal, muziek, radio en sociale media veranderen taal vaak sneller dan officiële instanties dat doen.

Taal leeft. Zij beweegt mee met generaties, cultuur, maatschappelijke veranderingen en met de manier waarop mensen elkaar dagelijks begrijpen. Woorden die ooit normaal waren, kunnen kwetsend worden. Andere woorden verliezen juist hun scherpe lading en krijgen een bredere betekenis. Soms verdwijnen oorspronkelijke betekenissen zelfs helemaal uit het collectieve geheugen.

Tegelijkertijd laat taalontwikkeling zien hoe samenlevingen omgaan met hun geschiedenis. Sommige woorden verliezen hun negatieve lading, terwijl andere juist een negatieve betekenis krijgen die zij oorspronkelijk niet hadden.

Neem bijvoorbeeld de uitdrukking “indianenverhalen”. Tegenwoordig wordt die term vaak gebruikt voor onzin, overdreven fantasieën of ongeloofwaardige verhalen. Maar waar komt die uitdrukking eigenlijk vandaan?

Voor zover bekend verwijst zij oorspronkelijk naar de rijke vertelcultuur binnen inheemse gemeenschappen, waarbij ouderen rond kampvuren verhalen doorgaven aan kinderen en kleinkinderen. Verhalen over de oorsprong van het volk, natuur, cultuur, geesten zoals de grote Manitou, wijsheden, waarschuwingen en spirituele beleving. Dat waren geen “onzinverhalen”, maar juist een belangrijk onderdeel van culturele overdracht en identiteit.

Toch heeft die uitdrukking in de loop der tijd een negatieve lading gekregen. Dat zegt misschien minder over de oorspronkelijke inheemse cultuur en meer over hoe samenlevingen omgaan met culturen die historisch minder macht of erkenning kregen.

Taal is niet alleen communicatie. Taal draagt geschiedenis, pijn, humor, vooroordelen, identiteit en machtsverhoudingen met zich mee. Woorden veranderen omdat samenlevingen veranderen. Soms groeien woorden mee met een samenleving die inclusiever wordt. Soms blijven oude stereotypen juist onbewust voortleven in het dagelijks taalgebruik.

Soms laat taal ook zien hoe bijzonder Suriname is. Enkele weken geleden hoorde ik in een bouwmaterialenzaak iemand in prachtig Aucaans getint Sranan praten. Door het accent ging ik ervan uit dat het om een binnenlandbewoner met Afrikaanse roots ging. Tot mijn verrassing bleek het een jonge Hindoestaanse man te zijn.

We raakten in gesprek en hij vertelde dat hij een deel van zijn jeugd in het binnenland had doorgebracht en vrienden heeft uit allerlei etnische groepen. Hoewel hij hindoe is, voelt hij zich cultureel nergens door begrensd. Terwijl ik verder liep, besefte ik opnieuw hoe vanzelfsprekend verschillende culturen in Suriname soms in elkaar overvloeien — en hoe bijzonder dat eigenlijk is.

In veel landen blijven taal, cultuur en etniciteit strak van elkaar gescheiden. In Suriname lopen die grenzen voortdurend door elkaar heen. Een Hindoestaanse jongen spreekt Aucaans en Sranan. Een Javaan gebruikt Creoolse uitdrukkingen. Marronjongeren spreken vloeiend Nederlands, Sranan én Engels door elkaar. Dat is geen verlies van identiteit, maar juist culturele rijkdom.

Misschien zit precies daarin de ware kracht van Suriname. In de dagelijkse werkelijkheid waarin mensen elkaars taal, humor, gewoonten en uitdrukkingen overnemen zonder hun eigen identiteit volledig te verliezen. Dat is natievorming in haar meest natuurlijke vorm. Want taal vertelt uiteindelijk meer over een land dan veel officiële rapporten ooit kunnen doen.

In onze taal hoor je geschiedenis. Je hoort slavernij, migratie, kolonialisme, vermenging, straatcultuur, religie en saamhorigheid. Maar je hoort ook hoe een samenleving probeert oude betekenissen los te laten en nieuwe betekenissen te creëren.

Dat maakt taalontwikkeling niet alleen een taalkundig proces, maar ook een cultureel en maatschappelijk proces. Misschien is dat wel de mooiste kracht van Suriname: dat al die talen, accenten, uitdrukkingen en betekenissen hier voortdurend door elkaar blijven bewegen, veranderen en voortleven.

Wilfred Leeuwin