Naar aanleiding van vragen uit de samenleving wordt het eerdere bericht nader toegelicht.

In het (oude) erfrecht van vóór 1 mei 2025 kon u opkomen tegen de laatste wil/het testament van uw ouder of van uw kind dat kinderloos zou zijn overleden, wanneer die u zou hebben onterfd of een kleiner deel zou hebben toebedeeld dan waar de wet u minimaal aanspraak op gaf. In normaal spraakgebruik zei men dat je het testament kon aanvechten.

Dat wettelijk minimum erfdeel wordt ook wel de legitieme portie genoemd en alleen kinderen (of de kleinkinderen bij plaatsvervulling) en ouders van een kind dat kinderloos is komen te overlijden, zijn de twee groepen personen die aanspraak maakten op zo’n legitieme portie.

Vóór 1 mei 2025 was het dus zo dat u tijdens uw leven alles mocht doen met uw verdiende en gespaarde geld en zelf kon bepalen waaraan u het besteedde, doch op het moment dat u wilde bepalen voor wie u het wilde achterlaten, werd u daarin wettelijk beperkt en moest er rekening mee worden gehouden dat uw testament kon worden aangevochten op grond van de legitieme portie.

Een vader of moeder, maar ook een persoon die geen kinderen had bij zijn of haar overlijden, maar wiens ouders nog in leven waren, was niet geheel vrij bij het bepalen naar wie zijn of haar vermogen ging, ondanks dat zij hun hele leven daarvoor hadden gewerkt of hadden gespaard.

Bij de inwerkingtreding van het Nieuw Burgerlijk Wetboek per 1 mei 2025 is dat gewijzigd. Het uitgangspunt is nu dat eenieder geheel vrij is om te bepalen hoe diens erfenis zal worden verdeeld. Het is uw vermogen waarover u dus nu ook zelf mag bepalen aan wie u wat geeft of voor wie u het achterlaat.

Aangezien de ‘oude’ wet die legitieme portie nog kende, is er een overgangswet gemaakt om te bepalen voor welke gevallen de legitieme portie nog blijft gelden. In hoofdlijnen komt het neer op het volgende:

Bent u als kind of als ouder van een kind dat kinderloos is komen te overlijden, op grond van diens testament onterfd of krijgt u minder dan het wettelijk minimum, dan blijft uw recht op het wettelijk minimum in stand:
1. In alle gevallen waarin u zich reeds had beroepen op de legitieme portie, meestal via of door tussenkomst van de notaris. In de regel wordt er een akte van niet-berusting opgemaakt.

2. Als het overlijden heeft plaatsgevonden vóór 1 mei 2021 en u had zich nog niet beroepen op uw legitieme portie, dan moet u dat doen uiterlijk vóór 1 mei 2026. Boedelafwikkelingen lopen via de notaris en die zal u daarin bijstaan.
Vond het overlijden plaats tussen 1 mei 2021 en 1 mei 2025, dan hebt u maximaal vijf jaren na overlijden om zich te beroepen op uw legitieme portie.

3. De bedoeling van de wetgever is dat men niet tot in lengte van dagen zich nog zou kunnen blijven beroepen op de legitieme portie van de oude wet, aangezien die in de nieuwe wet is afgeschaft.

Na verloop van de genoemde termijnen zal onterving door uw vader of moeder, of als ouder door uw kind, niet meer aanvechtbaar zijn en zal hun laatste wil daadwerkelijk als zodanig kunnen worden uitgevoerd.

Tot slot een voorbeeld
Uw ouder is in 2020 overleden en had een testament opgemaakt waarin u bijna niets kreeg of was onterfd. Dan had u toch nog recht op een wettelijk minimumdeel van de erfenis. U moet dit vóór 1 mei 2026 aangeven, anders bent u te laat. Ook onder anderen de mensen van wie hun ouder en/of kind is overleden op of na 1 mei 2021, dienen zich zo spoedig mogelijk te laten informeren, omdat ook voor hen de fatale termijn dit jaar zal zijn verlopen, namelijk op de dag dat de ouder of het kind is overleden.

Twijfelt u? Neem dan spoedig contact op met een juridisch deskundige of een notaris voor een bredere uitleg over uw specifieke situatie.

Surinaamse Notariële Beroepsorganisatie