Steeds pijnlijker wordt duidelijk dat het bij parastatale bedrijven structureel misgaat. Rapporten, onthullingen en onderzoeken tonen keer op keer aan dat sprake is van wanbeheer, ondoorzichtige besluitvorming en in sommige gevallen regelrechte fraude. President Simons haakte hier in november in De Nationale Assemblée op in en stelde dat bepaalde staatsbedrijven eenvoudigweg worden leeggestolen.

Een belangrijke, maar vaak onderbelichte oorzaak hiervan is de bestuursstructuur: het eenhoofdig directiemodel met daaronder zogenoemde onderdirecteuren. In de praktijk betekent dit model dat vrijwel alle macht geconcentreerd is bij één persoon. Onderdirecteuren dragen wel verantwoordelijkheden, maar beschikken zelden over echte tegenmacht. Zij adviseren en voeren uit, maar beslissen niet. Hierdoor ontstaat een cultuur waarin interne controle is verzwakt en afwijkende meningen worden genegeerd of ontmoedigd. Dat is geen incident, maar een systeemfout.

Een eenhoofdig directiemodel is vooral kwetsbaar bij grote organisaties die met publieke middelen werken. Parastatale bedrijven beheren publieke middelen en vervullen cruciale maatschappelijke functies. Juist daar moet besluitvorming transparant, toetsbaar en collectief zijn. Wanneer één directeur de koers bepaalt, contracten goedkeurt en betalingen autoriseert, zonder effectieve collegiale controle en toetsing, is misbruik slechts een kwestie van tijd.

Een meerhoofdig directiemodel biedt hiervoor een structurele oplossing. In zo’n model bestaat de directie uit meerdere gelijkwaardige directeuren met duidelijk afgebakende portefeuilles, zoals algemene, operationele en financiële zaken. Besluiten van strategisch of financieel belang worden gezamenlijk genomen. Dit versterkt de interne checks-and-balances en verkleint de kans dat fouten of misstanden onopgemerkt blijven.

Belangrijk is ook dat een meerhoofdig directiemodel de professionele verantwoordelijkheid vergroot. Anders dan onderdirecteuren kunnen directeuren zich niet verschuilen achter één dominante leider, maar dragen zij collectief bestuurlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. Dit bevordert zorgvuldigheid, inhoudelijke discussie en een cultuur van tegenspraak – precies datgene wat bij veel parastatale bedrijven nu ontbreekt.

In een meerhoofdig directiemodel staan de leden van de directie in het organogram op één lijn. De CFO en COO zijn ieder belast met hun specifieke portefeuilles, terwijl de CEO, naast algemene zaken, verantwoordelijk is voor het voorzitten van de directievergaderingen. De CEO fungeert daarmee als primus inter pares: eerste onder gelijken, zonder eenzijdige beslissingsmacht.

Critici voeren soms aan dat een meerhoofdig model besluitvorming vertraagt. Dat argument snijdt echter weinig hout. Trage besluitvorming is vervelend, maar wanbeheer, corruptie en verlies van publieke middelen zijn vele malen schadelijker. Bovendien leert de praktijk dat collegiaal bestuur juist leidt tot beter afgewogen en duurzamere besluiten.

Als wij werkelijk willen afrekenen met het gerommel bij parastatale bedrijven, moeten we verder kijken dan personen en incidenten. Het probleem zit in de structuur. Zolang we vasthouden aan een eenhoofdig directiemodel met schijnondergeschikten, blijven we dezelfde fouten herhalen.

Internationaal geldt collegiale besluitvorming aan de top van organisaties als best practice. Na de grote boekhoud- en governance­schandalen bij Enron en WorldCom (VS) en Parmalat (Europa) begin jaren 2000 hebben veel landen hun governancecodes aangescherpt en (deels) wettelijk verankerd. Daarbij wordt benadrukt dat macht niet bij één persoon geconcentreerd mag zijn. Grote ondernemingen en publieke instellingen werken daarom met meerhoofdige directies, gezamenlijke verantwoordelijkheid en interne tegenspraak, juist om risico’s, wanbeheer en misbruik van publieke middelen te beperken.

Het is daarom tijd voor een principiële keuze om parastatale bedrijven op norm te brengen, zeker wanneer het gaat om ondernemingen met een omzet van SRD 1 miljard en meer. Deze horen bestuurd te worden volgens een meerhoofdig directiemodel (een college van directeuren), ondersteund door sterke interne controlemechanismen, waarbij de Interne Audit Dienst (IAD) rapporteert aan de RvC/RvT. Alleen zo kunnen transparantie, integriteit en goed bestuur daadwerkelijk worden afgedwongen.

Dirk Heave
Ervaren bestuurs- en toezichtkundige