Er zijn debatten waarvan je meteen voelt: dit gaat niet over wetsartikelen. Dit gaat over macht, invloed, wantrouwen en vertrouwen. En vooral over de vraag of we de rechtsstaat willen versterken, of haar gaan hertekenen zonder precies te weten wat we slopen. Dat hervorming van de rechterlijke macht nodig is, daarover bestaat brede overeenstemming. Ook binnen de juridische wereld klinkt al langer kritiek. Iedereen ziet dat het Openbaar Ministerie onder vuur ligt, dat de rechterlijke macht overbelast is, dat zaken te lang blijven liggen en dat het vertrouwen van burgers afbrokkelt. Daar is geen parlementair theater voor nodig. Dat weten we al.

De echte breuklijn zit elders: hoe ver ga je?
Die spanning werd maandag tastbaar toen de sterke man van de ABOP, Ronnie Brunswijk, en initiatiefnemer Ebu Jones frontaal tegenover elkaar kwamen te staan in ’s lands vergaderzaal. Niet in juridische finesse, maar in politieke zeggingskracht. Jones, als belangrijkste initiatiefnemer, duwt door om de wetten aangenomen te krijgen. Brunswijk, ABOP-voorzitter en coalitiepartner, trapt abrupt op de rem. Dat zij beiden deel uitmaken van dezelfde coalitie maakt de botsing alleen maar veelzeggender.

Brunswijk, die als coalitieleider regelmatig overleg voert met de president, ging zelfs zo ver Jones een handlanger van de regering te noemen. Dat terwijl volgens Brunswijk binnen de regering zelf nog over de voorstellen werd gesproken. Intussen diende Jones, samen met leden van alle coalitiefracties, vier initiatiefwetten in. Voor de zoete vrede werden die voorstellen keurig ondertekend, maar tijdens de behandeling blijken de verschillen in zienswijze hemelsbreed.

Brunswijk is niet tegen hervorming. Maar hij stelt een wezenlijke vraag: wat lossen we hiermee concreet op? En vooral: wie draagt de verantwoordelijkheid als het misgaat? Hij trok het debat bewust breder door te vragen als we straks ook meer presidenten, meer hofpresidenten en meer Assembleevoorzitters nodig hebben. Opvallend genoeg hield juist Brunswijk – die eerder scherpe kritiek uitte op de procureur-generaal – nu een pleidooi voor het waarborgen van de onafhankelijkheid van het vervolgingsapparaat.

Toen Jerrel Pawiroredjo, fractieleider van de NPS, het woord nam, verschoof het debat van de tekentafel naar de straat. Hij stelde een eenvoudige maar wezenlijke vraag namens de volksvertegenwoordiging: wat merkt de burger hiervan? Want de rechtsbeleving begint niet bij cassatie, niet bij een Hoge Raad, niet bij een college van procureurs-generaal. Die begint bij een politiepost waar je vier keer moet terugkomen om aangifte te doen. Bij een proces-verbaal dat rammelt. Bij een zaak die verdwijnt in een la. Je kunt bovenin zoveel verbouwen als je wilt, maar als de fundering scheurt, zakt het huis alsnog in.

Dat geldt ook voor het idee dat de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie onaantastbaar zouden zijn. Dat zijn ze niet. Kijk naar het houtdossier, waar een rechter groen licht gaf voor het voortzetten van frauduleuze handelingen. Het Hof corrigeerde – maar veel te laat. Het kwaad was al geschied, het hout al verkocht in India. De rechtsstaat corrigeerde zichzelf, maar zonder herstel. Wie dat geen probleem vindt, begrijpt niet waarom hervorming nodig is. Maar hervorming is geen vrijbrief om alles open te breken.

Neem de benoeming van de procureur-generaal voor het leven. Dat verdient heroverweging. Als een capabele veertiger wordt benoemd, kan die dertig jaar aanblijven. Onafhankelijkheid mag nooit verworden tot onaanspreekbaarheid. Maar het omgekeerde is minstens zo gevaarlijk: een benoemingsmodel dat de deur op een kier zet voor politieke kleur, externe druk of institutionele willekeur.

De rechtsstaat is geen speeltuin voor politieke daadkracht. Het is een fragiel systeem dat je alleen sterker maakt als je precies weet waar je aan trekt en wat je beter met rust laat. En daar hoort ook bij dat een president nooit achteloos kan zeggen: “ik heb de procureur-generaal opdracht gegeven.” Zulke uitlatingen – of de opdracht nu wordt opgevolgd of niet – ondermijnen de geloofwaardigheid en onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Nita Ramcharan