De discussie rondom buitenlandse arbeid in Suriname – en de bredere zorgen over initiatieven zoals Fomar Relief – raakt aan een veel dieper vraagstuk dan alleen migratie of regulering. Het gaat over de toekomst van onze arbeidsmarkt, de kwaliteit van onze productiesector en vooral over onze bereidheid als samenleving om eerlijk naar onszelf te kijken.

De komst van buitenlandse arbeidskrachten roept begrijpelijke zorgen op. Regulering is noodzakelijk, maar de realiteit is dat er tot nu toe weinig effectieve sturing en handhaving plaatsvindt. Tegelijkertijd groeit de druk vanuit het bedrijfsleven en de productiesector om te beschikken over gekwalificeerde, gemotiveerde en betrouwbare arbeidskrachten.

De vraag is niet óf buitenlandse arbeid nodig zal zijn — maar hoeveel en tot hoever regulering mogelijk blijft wanneer de economie steeds hogere eisen stelt aan discipline, vakmanschap en werkethiek.

Als iemand die gelooft in de Surinaamse arbeidskracht, ben ik ervan overtuigd dat Surinamers een eerlijke en bij voorkeur eerste — kans moeten krijgen op Surinaamse banen. Maar dat uitgangspunt kan niet losstaan van verantwoordelijkheid. Wanneer lokale arbeidskrachten structureel tekortschieten in punctualiteit, inzet en professionaliteit, zal de arbeidsmarkt haar eigen oplossingen zoeken.

Die realiteit zien we nu al. Buitenlandse werknemers zijn zichtbaar in de bouw, de landbouw, infrastructuur, afvalverwerking, retail en andere sectoren. Dit is geen tijdelijke ontwikkeling — dit dreigt een structureel patroon te worden.

De kernvraag is daarom niet alleen wat de overheid moet doen, maar wat wij als samenleving bereid zijn te veranderen.

De vakbeweging speelt hierin een cruciale rol. Historisch staat zij op voor fatsoenlijke lonen, veilige werkomstandigheden en respect voor arbeid. Maar naast bescherming moet er ook ruimte zijn voor zelfkritiek en verantwoordelijkheid. Vakbonden zouden niet alleen rechten moeten verdedigen, maar ook durven benoemen wanneer discipline, inzet en professionaliteit tekortschieten.

Het is immers moeilijk om duurzaam op te komen voor een arbeidsklasse die zichzelf niet serieus neemt.

Dit vraagstuk gaat niet over goedkope arbeid. Er bestaan geen goedkope mensen — alleen samenlevingen die beslissen of ze kwaliteit eisen en bereid zijn daarvoor eerlijk te betalen. Suriname zou bekend moeten staan als een land dat kwaliteit verwacht én kwaliteit beloont.

Maar dat vereist mentale en culturele verandering.

Zijn wij bereid om eerlijk in de spiegel te kijken en toe te geven dat het probleem niet alleen ligt bij de overheid, buitenlandse werknemers of de markt — maar ook bij onze houding, werkmentaliteit en verantwoordelijkheidsgevoel?

Zijn wij bereid om jongeren niet alleen kansen te bieden, maar ook discipline, vakmanschap en trots op arbeid bij te brengen?
Zijn wij bereid om minder redenen te zoeken waarom iets niet kan en meer redenen waarom het wél kan?

Nieuwe sectoren dienen zich aan. Nieuwe arbeidsprocessen ontstaan. Nieuwe kansen liggen binnen bereik.

De vraag is niet of de toekomst komt.
De vraag is of Surinamers vooraan zullen staan om die toekomst te claimen  of dat we toekijken terwijl anderen het werk doen.


Wayne Telgt