Europees recht en de uitingsvrijheid
27 Nov, 10:32
foto


In het onlangs verschenen nummer van het Surinaams Juristen Blad (SJB 2020 nr. 2) schetst Willem F. Korthals Altes een beeld over het Europeesrecht en de uitingsvrijheid. In zijn artikel stelt hij dat het Europeesrecht een grote rol speelt in de mate waarin in Nederland en andere landen uitingsvrijheid en persvrijheid kunnen worden uitgeoefend. Hoe komt dat en wat houdt het in?

Het is van belang te melden dat de grondrechten (zoals het recht op uitingsvrijheid) in beginsel afweerrechten zijn, d.w.z. rechten waarmee men inmenging door de overheid kan bestrijden. Steeds meer wordt echter ook de nadruk erop gelegd dat de overheid een positieve verplichting heeft de grondrechten te beschermen. Dat betekent dat, ook als een niet-overheidsinstelling iemands uitingsvrijheid beperkt, het grondrecht kan worden ingeroepen door te wijzen op de verplichting van de overheid daartegen door middel van wetgeving of maatregelen op te treden. Op die manier ontstaat ook een zekere mate van horizontale werking.

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen mondiaal en regionaal diverse verdragen tot stand waarmee de betrokken landen trachtten te reageren op de verschrikkingen van de oorlog en de schendingen van allerlei mensenrechten die deze had meegebracht. De landen van de Verenigde Naties stelden de Declaration of Human Rights op en sloten het Internationale Verdrag ter Bescherming van Burgerlijke en Politieke Rechten (ICCPR of BuPo). De democratische landen van (West-)Europa richtten in 1949 de Raad van Europa op. Daaruit kwam het Europese Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) voort. Al deze verdragen bevatten bepalingen waarmee wordt beoogd de fundamentele rechten te beschermen.

Anders dan aan de VN-verdragen werd aan het EVRM een handhavingsmechanisme gekoppeld in de vorm van een rechtscollege, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waarin van elke lidstaat één rechter zit. Dit hof functioneert als een court of last resort. Dat wil zeggen dat het alleen in actie komt, als alle mogelijkheden op nationaal niveau zijn uitgeput. Met andere woorden, wie over een schending door zijn nationale overheid van een van zijn door het verdrag beschermde rechten klaagt, moet eerst het hele rechtssysteem van zijn eigen land hebben doorlopen, voordat het EHRM zijn zaak in behandeling kan nemen.

Verder moet er een concrete klacht van een concrete klager zijn; het hof behandelt geen zaken om het principe alleen. Ook mag een klager het klachtrecht niet misbruiken (art. 17 EVRM). Maar als het hof vervolgens bepaalt dat de klager inderdaad in zijn recht is aangetast, is het land waartegen de klacht is gericht, gehouden deze uitspraak uit te voeren. Bovendien geldt het door het EHRM in zijn beslissing toegepaste recht voor alle lidstaten. Zijn uitspraken hebben dus precedentwerking.

Voor Nederland speelt nog een ander element (in zekere zin het omgekeerde) een rol, doordat het de rechter niet is toegestaan wetten aan de grondwet te toetsen. De rechter mag dus niet bepalen of een wet met bijv. artikel 7 Grondwet (vrijheid van meningsuiting) in strijd is. Die beperking geldt niet voor algemeen geldende en direct werkende internationale verdragen, zoals het EVRM. De rechter mag dus wel beoordelen of een wet strijdig is met het hieronder uitvoerig besproken artikel 10 EVRM.

Aan de Staat wordt, zoals het EHRM het noemt, een margin of appreciation, een beoordelingsvrijheid, toegekend. Deze is klein, als de uiting het publieke debat dient, maar wordt groter naarmate dat belang minder op de voorgrond staat. Bij de toepassing van de beoordelingsvrijheid kijkt het hof tevens naar de cultuur en de maatschappelijke context van het land waar de zaak speelt. Een voorbeeld daarvan is het verbod op abortus in Ierland, dat, inmiddels in het verleden, sterk in de katholieke cultuur van dit land was geworteld. Zo was het verstrekken van informatie over abortus in Ierland strafbaar. Het EHRM honoreerde de toepassing van de Ierse strafwet onder hantering van de margin of appreciation die dit land in dat verband werd toegekend. Een vergelijkbare maatregel in een land waar abortus niet is verboden, zou wel een schending van de uitingsvrijheid vormen.

Het systeem dat met het sluiten van het verdrag in 1950 en het inrichten van een rechterlijke instantie ter uitvoering daarvan in het leven is geroepen, heeft een grote invloed op de voor iedere burger betrouwbare toepassing van zijn grondrechten gehad. In grote lijnen is deze invloed als positief te beschouwen. Allerlei vrijheden en rechten ter bescherming van de burger (zoals het recht op een eerlijk proces) zijn daardoor aangescherpt, in weerwil van de diversiteit van de inmiddels 47 lidstaten. Dat wil niet zeggen dat geen kritiek en weerstand bestaan. Zo was het Verenigd Koninkrijk uiterst verbolgen, toen het EHRM het land verbood aan (bepaalde) gedetineerden het kiesrecht te onthouden. Stemmen gingen dan ook op het verdrag op te zeggen.

Ook landen als Rusland en Turkije laten zien dat de rechten van het verdrag niet overal onverkort worden erkend en toegepast. Tegen zulke schendingen kunnen alleen politieke middelen worden ingezet, omdat de Raad van Europa geen afdwingingsmechanisme kent. Als uiterste middel zouden de andere lidstaten kunnen besluiten een land (tijdelijk) uit te sluiten, zoals in de jaren ’70 tijdens het toenmalige kolonelsregime met Griekenland is gebeurd. In het algemeen ziet men echter meer heil in pogingen een land binnen het stelsel tot de orde te roepen, omdat daarmee tenminste enige invloed kan worden uitgeoefend. En dat betekent dat een zekere mate van margin of appreciation zal moeten worden aanvaard. Maar dat kan ook als een teken van kracht worden beschouwd.

Mijn collega-juristen beveel ik sterk aan een dergelijke analyse te verrichten voor wat betreft de uitingsvrijheid in Suriname, alsmede de impact welke de Algemene Verklaring voor de Rechten van de Mens zal kunnen hebben op de toetsing van dit recht. Onderhavig artikel reikt in ieder geval een hand uit voor een transponering naar de regionale (lees Surinaamse) situatie.

Fayaz A. Sharman
Advertenties