Beslissing PG niet vervolging Hoefdraad is rechtens juist
16 Feb, 10:40
foto


Er zijn in Suriname ten onrechte kanttekeningen geplaatst bij de beslissing van procureur-generaal Roy Baidjnath Panday (pg), dat het ingestelde strafrechtelijk onderzoek naar een mogelijke overtreding van de Wet op de Staatsschuld door minister Gillmore Hoefdraad van Financiën, niet kan leiden tot het treffen van processuele maatregelen. In deze bijdrage wordt toegelicht dat de pg, zonder het te noemen, zich heeft gebaseerd op het zogenaamde mildheidsgebod, ook wel het lex mitior-beginsel genoemd.

In het Surinaamse strafrecht geldt als hoofdregel dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het feit. Op deze hoofdregel wordt in art. 1 lid 2 Wetboek van Strafrecht een uitzondering gemaakt voor het geval de regelgeving in het voordeel van de verdachte nadien wordt gewijzigd. In dit wetsartikel ligt de lex mitior-regel besloten waarin is bepaald dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte gunstigste bepalingen, worden toegepast. De wetswijziging van 6 november 2019, houdende nadere wijziging van de Wet op de Staatsschuld (S.B. 2002 no. 27, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 2017 no 10) heeft tot gevolg gehad dat de strafbaarheidsstelling op overtreding van de Wet op de Staatschuld is komen te ontvallen.

Gelet op artikel 1 lid 2 Wetboek van Strafrecht en het daarin besloten lex mitior-regel is de beslissing van de pg dan ook juist.

De kritiek van de Stichting Centre for Public Affairs Suriname (CPAS) op de totstandkoming van de beslissing van de pg is misplaatst. De heer Anand Bihari verwijt de pg een juridische misstap omdat het oordeel gebaseerd zou zijn op een onrechtmatig tot stand gekomen gewijzigde Wet op de Staatsschuld. Deze visie is niet houdbaar nu het niet tot de taken van de pg behoort om wetten te toetsen. Die rol is uitsluitend weggelegd voor het Constitutioneel Hof als Juridisch toetsingsorgaan (Artikel 144 van grondwet van Suriname). De verdere denkbeelden van Bihari over een soort ‘dubbele onrechtmatigheid’ omdat de pg handelingen van Assembleeleden niet zou hebben getoetst aan de eis van ‘behoorlijke wetgeving’, zijn juridisch onjuist. Het is niet aan de pg om bestaande wetgeving of de totstandkoming daarvan ter discussie te stellen. De pg is namelijk geen wetgever.

Ook verwijzingen van andere critici naar Artikel 3 van Algemene Bepalingen der Wetgeving dat wettelijke regelingen alleen verbinden voor het toekomende, en geen terugwerkende kracht hebben, is een misslag. Het staat de wetgever in beginsel vrij om aan een wet terugwerkende kracht te verlenen en ook op grond van art. 15 lid 1, laatste volzin van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) waar Suriname partij bij is, blijkt dat indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. Waar geldt dat nieuwe gunstigere wetgeving dient te worden toegepast op lopende zaken, geldt omgekeerd niet dat nieuwe ongunstigere wetgeving wordt toegepast op lopende zaken.

Wellicht de grootste kritiek wordt geuit op de wijziging van de Wet op de Staatsschuld zelf, die de schijn zou hebben van ‘gelegenheidswetgeving’.  Bij de wetswijziging heeft de wetgever mede betrokken de noodzakelijke behoefte van Suriname aan leningen om projecten en beleidsmaatregelen te kunnen continueren die noodzakelijk zijn voor de diversificatie en het draaiende houden van de Surinaamse economie.

Het motief van de wetgever voor het mitigeren van de strafbaarheidsstelling was dus erop gericht om het dwingend algemeen belang - het draaiende houden van de Surinaamse economie- te dienen. Daarmee is van gelegenheidswetgeving geen sprake, althans zulks kan uit de onderhavige situatie niet worden afgeleid. Zelfs indien sprake zou zijn van gelegenheidswetgeving dan nog is het (in beginsel) niet aan de pg om van artikel 1 lid 2 Wetboek van Strafrecht af te wijken.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de conclusie van procureur-generaal Baidjnath Panday dus in lijn is met de wet en internationale verdragen, en daarom getuigt van de enige juiste rechtsopvatting. Bovendien is het maar de vraag of het verder afbreken van instituties als de Centrale bank en het ambt van de minister van Financiën zal leiden tot het herstel van vertrouwen in de staat Suriname.

mr.drs. Ashvin G. Gonesh
De auteur is (financieel) jurist en bedrijfskundige te Rotterdam. Hij is co-auteur van het boek ‘Grondlijnen voor een nieuwe financiële ethiek’ en auteur van Public Diplomacy: Improving Practice, uitgegeven door Clingendael - the Netherlands Institute of International Relations.



Saturday 28 March
Friday 27 March
Thursday 26 March