Mag de amnestiewet door de rechter worden getoetst?
18 Apr 2012, 04:00
foto


Deze vraag heeft centraal gestaan in de afgelopen weken, zowel in De Nationale Assemblee als in de media en op 13 april 2012 op de zitting van de krijgsraad. Er zijn vele reacties op gekomen, waarvan het merendeel vooral door begrijpelijke emoties werden ingegeven. Het is misschien verstandig nu even afstand te nemen van deze emoties en trachten te komen tot een nuchtere juridische analyse.

Wat wordt ermee bedoeld als gezegd wordt dat de wetten onschendbaar zijn en de rechter ze dus niet mag toetsen? Met toetsen wordt bedoeld dat de rechter nagaat of de wetten strijdig zijn met de grondwet en/of internationale verdragen. Als dat het geval is wordt toepassing van de wet ongeoorloofd.

Basisvoorwaarde
Het juridische begrip dat de wetten onschendbaar zijn, vindt zijn fundament in de omstandigheid dat de formele wetgever (regering samen met DNA), als de bewaker of beschermer van de grondwet, ervoor zorg zal dragen dat de wetten, die worden vastgesteld, niet in strijd zijn met de grondwet of internationale verdragen.
Het is dus de taak van iedere volksvertegenwoordiger en van de regering om vast te stellen of een voorliggend wetsvoorstel al dan niet in strijd is met de grondwet of met een internationaal verdrag. Dit is een van de basisvoorwaarden voor het bestaan van een democratische rechtsstaat en voor de onschendbaarheid der wetten.

De onschendbaarheid der wetten is het uitgangspunt in het Surinaamse staatsrechtsysteem, dat is afgeleid van het Nederlandse rechtssysteem. Het betekent dat in beginsel de wetten niet kunnen worden getoetst door de rechter, tenzij de grondwet dat uitdrukkelijk mogelijk maakt, of omdat er een beroep op een international verdrag wordt gedaan dat directe werking heeft. Een verdrag heeft directe werking als de burger er rechtstreeks een beroep op kan doen.

Mogelijkheden van toetsing in de grondwet
In artikel 137 van de grondwet is bepaald dat indien de rechter in een concreet geval van oordeel is dat toepassing van een wet strijdig zou zijn met één of meerdere in hoofdstuk V van de grondwet genoemde grondrechten, de rechter in dat geval bevoegd is de toepassing van die wet ongeoorloofd te verklaren. Zoals hieruit blijkt, gaat het om zeer bijzondere gevallen (schending grondrechten), waarin de formele wetgever heeft bepaald dat de rechter de wet mag toetsen. De wet wordt door die toetsing niet onverbindend, maar voor het concrete geval wordt de toepassing van de wet ongeoorloofd verklaard. De wet blijft dus wel bestaan, maar mag in dit concrete geval niet worden toegepast.

Welke rechter mag deze toetsing doen?
Van belang hiervoor is hoofdstuk XV grondwet, dat gaat over de Justitie. De tweede afdeling van dat hoofdstuk gaat over de rechterlijke macht en bepaalt wie de rechterlijke macht vormen. Dat zijn de leden van het Hof van Justitie. Artikel 137 van datzelfde hoofdstuk geeft de rechterlijke macht, dus de gewone rechter, de bevoegdheid de wet te toetsen aan de grondrechten genoemd in hoofdstuk V van de grondwet en het hoeft niet te gebeuren door een bijzondere rechter zoals het Constitutioneel Hof.
Het is duidelijk dat de grondwetgever beoogd heeft om de grondrechten boven alles te stellen, omdat die immers de onvervreemdbare rechten van iedere burger vormen en de basis zijn van de rechtsstaat. De toetsing van schending daarvan wordt daarom zo dicht mogelijk bij de burger gebracht en opgedragen aan de gewone rechter.

In artikel 144 grondwet is bepaald dat het Constitutioneel Hof de bevoegdheid heeft wetten en internationale verdragen aan de grondwet te toetsen. Dit hof kan iedere wet, dus niet beperkt tot de grondrechten, toetsen aan de grondwet en aan internationale verdragen. Daarnaast kan het Constitutioneel Hof ook overheidsbesluiten, zoals een ministerieel besluit, toetsen aan de grondwet en aan internationale verdragen.

Als het Constitutioneel Hof tot de conclusie komt dat een wet of overheidsbesluit strijdig is met de grondwet of een internationaal verdrag wordt die wet of dat besluit onverbindend verklaart. Dat wil zeggen dat de wet niet meer toepasbaar is.

De gevolgen van toetsing door het Constitutioneel Hof zijn dus verstrekkender dan toetsing door de gewone rechter.

Conclusie:
1. Op grond van artikel 137 grondwet mag de gewone rechter in een concreet voorgelegd geval toetsen of toepassing van een wet, dus ook de Amnestiewet, in dat geval ongeoorloofd is.

2. Op grond van artikel 144 grondwet zou het Constitutioneel Hof deze toetsing ook kunnen doen, en dan met het verdergaande gevolg dat de betreffende wet onverbindend zou worden verklaart. Helaas is dat niet mogelijk, omdat het Constitutioneel Hof niet bestaat.

De auditeur militair is mogelijk het spoor bijster geraakt en heeft gekozen voor een niet erg realistische weg door te willen wachten met de voortgang der zaak tot er een Constitutioneel Hof zou zijn. Uiteraard hebben de advocaten van de hen geboden kans gretig gebruik gemaakt en op niet-ontvankelijkheid aangedrongen nu er geen constitutioneel hof is om de wet te toetsen.

Het ware beter geweest als de auditeur militair een beroep gedaan had op artikel 137 grondwet en de krijgsraad had verzocht op grond daarvan te toetsen of de amnestiewet in dit concrete buiten toepassing moet blijven. De krijgsraad zal dat overigens nu ambtshalve moeten doen.

R.H. van de Heuvel

Thursday 02 April
Wednesday 01 April
Tuesday 31 March