Column: Twee visies op ontwikkelingshulp
20 Jun, 03:00
cea59469c706f03842a2962f12a9433f.jpg
Op 10 juni 2011 hield ik een lezing voor Seva Network Foundation over ontwikkelingshulp. Daarin heb ik gepleit voor een nieuwe kijk op ontwikkelingshulp.
In 2010 heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in Nederland een nota uitgebracht over ontwikkelingshulp waarin ze stelt dat ontwikkelingshulp gegeven wordt vanuit een morele opdracht: de wereld beter maken. De WRR redeneert volledig vanuit de gever.
Daarbij wordt verondersteld dat de ontvanger niks in te brengen heeft.
Maar ik stel de vraag: waarom zouden we ontwikkelingshulp willen ontvangen? Die vraag zet de discussie over ontwikkelingshulp op zijn kop.
Wie opgegroeid is in nederigheid en onderdanigheid kan zich niet voorstellen dat je die vraag stelt. Het staat toch buiten kijf dat we onze handen horen op te houden en in nederigheid en dankbaarheid alle lof moeten toezwaaien aan de gever?

Maar de vraag die ik stel, is beantwoord in 2011 in Durban tijdens een VN conferentie over racisme en kolonialisme.
Europa draagt inderdaad een morele verantwoordelijkheid in de wereld en primair omdat zij schade heeft toegebracht aan de gekoloniseerde landen door het kolonialisme.
De omvang van die schade is voor Suriname uitgerekend door Armand Zunder in zijn boek ‘Herstelbetalingen’. Dat bedrag is 50 miljard euro in 2006 en bestaat uit twee componenten.
De eerste component is de vergoeding voor niet-betaalde of onderbetaalde lonen. De tot slaaf gemaakte Afrikanen zijn nooit betaald voor hun arbeid. De contractarbeiders zijn onderbetaald. De opbrengst van de landbouwproducten die zij geproduceerd hebben, bedraagt 127 miljard euro. Zunder gaat uit van een looncomponent van 30% (eigenlijk moet je 70-90% hanteren in die tijd). Dan kom je uit op 37 miljard euro.
De tweede component is een correctie bij de afschaffing van de slavernij. Toen kreeg de misdadiger – de mensen die andere mensen tot slaaf hadden gemaakt – 300 gulden vergoeding, terwijl het slachtoffer dat bedrag had moeten krijgen. In 2006 had dat een waarde van 13 miljard euro.
Totaal is de rekening dus 50 miljard euro.

Laten we nu kijken naar de ontwikkelingshulp die aan Suriname is gegeven.
Nederland heeft tussen 1948 en 2010 de volgende bedragen aan ontwikkelingshulp gegeven (in miljoenen guldens):
Het Welvaartsfonds: Nf 40
Het Tienjarenplan + aanvullend Opbouwplan: Nf 207
Eerste Vijfjarenplan: Nf 195
Tweede Vijfjarenplan: Nf 187
Meerjaren Ontwikkelingsplan: Nf 3.500
Totaal in gulden: Nf 4.129
Totaal in euro: 1.877 euro.

Er is dus 1,8 miljard euro aan ontwikkelingshulp gegeven. Dat was een combinatie van leningen en schenkingen. Leningen beschouw ik niet als hulp. Die moet je immers terugbetalen. Ik schat het aandeel aan schenkingen op minder dan 1 miljard euro. Maar laten we het op 1 miljard euro houden.
Een kind kan de berekening maken: Nederland is Suriname nog 50-1=49 miljard euro schuldig als compensatie voor de schade die ze Suriname en haar bevolking heeft berokkend als gevolg van slavernij en kolonialisme. Dat is in guldens van 2006. Het bedrag loopt ieder jaar op vanwege de rente.

Laten we een andere vraag stellen: heeft de hulp uit het verleden wel zin gehad? Het antwoord is simpel: nee. Er is veel geld gestopt in onderzoek naar hoe Suriname het beste door buitenlandse maatschappijen kon worden geëxploiteerd. Verder is er geld gestopt in de ontwikkeling van een infrastructuur voor vliegvelden in het binnenland met het oog op grondstoffenexploitatie. De laatste grote investeringen waren in de aanleg van een spoorlijn naar West-Suriname, alweer voor de buitenlandse bauxietmaatschappijen.
Het beeld dat Suriname niet geprofiteerd heeft van de ontwikkelingshulp wordt nog eens ondersteund door de cijfers die Jules Sedney verzameld heeft over de betalingsbalans toen hij nog president was van de Centrale Bank.
De betalingsbalans van een land is de boekhouding van de transacties tussen het land en het buitenland: wie brengt geld binnen en wie brengt geld uit het land. Uit de betalingsbalans van Suriname over de periode 1948-1975 blijkt dat het land aan ontwikkelingshulp een bedrag van ongeveer 630 miljoen Surinaamse guldens heeft ontvangen, waarvan 300 miljoen gulden in de vorm van schenkingen. De Surinaamse gulden was toen meer waard dan de Nederlandse.
In diezelfde periode is 800 miljoen gulden overgemaakt naar het buitenland in de vorm van winstovermaking door het buitenlandse bedrijfsleven dat in Suriname actief was. Dus per saldo is 500 miljoen vanuit Suriname naar het buitenland overgemaakt (we trekken alleen de schenkingen af). Dat is de omgekeerde vorm van ontwikkelingshulp.
Degene die het meest geprofiteerd heeft van de zogenaamde ontwikkelingshulp was niet Suriname, maar de buitenlandse bedrijven.

Tot slot, laten we kijken wat er gebeurde toen Nederland de ontwikkelingshulp stopte en later met horten en stoten verstrekte. Dat was vanaf 1980. Tussen 1980 en 2011 zijn regeringen van verschillende ideologische pluimage aan de macht geweest. We hebben een korte periode van militaire dictatuur gekend van zeven jaar. De overige periode was democratisch. Wat blijkt: de grootste transformatie van de Surinaamse economie heeft plaatsgevonden zonder een wezenlijke bijdrage vanuit ontwikkelingshulp: de opkomst van de olie-industrie met Staatsolie, de goudindustrie, het toerisme en recentelijk de outsourcing industrie.
Die transformatie heeft een stabielere basis gegeven aan de Surinaamse economie. De dragers zijn niet meer uitsluitend buitenlandse bedrijven.
De conclusie is: de stopzetting van de Nederlandse ontwikkelingshulp heeft nieuwe creatieve krachten losgemaakt waardoor Suriname zich daadwerkelijk kan ontwikkelen. En zo hoort het ook te zijn.
Die les zien we overal in de wereld: van India tot en met Brazilië. Om dat te kunnen zien moeten we de bril van nederigheid en onderdanigheid afzetten.

Sandew Hira

De volledige tekst van de lezing is te downloaden via www.iisr.nl