Staat krijgt laatste kans RV-belasting
17 Nov, 20:48
foto


Afgelopen vrijdag hebben de hoger beroepsrechters van het Hof van Justitie de Staat een laatste kans geboden haar standpunten bekend te maken. Uiterlijk 9 juni 2019 had minister Hoefdraad zijn Memorie van Antwoord moeten indienen in de hoger beroepszaak van Stichting Centre for Public Affairs Suriname. Hoefdraad faalde dit te doen maar kreeg van de rechters een laatste kans dat alsnog uiterlijk 17 januari 2020 te presenteren.

Stichting CPAS heeft sinds 21 februari 2019 een rechtszaak aangespannen om zorg te dragen dat de burgers van Suriname geen RV-belasting betalen omdat deze extra belastingheffing onder de huidige inkomenssituatie van de burgers onacceptabel is. Onacceptabel omdat sinds 2010 de burgers een waardedaling van de koopkracht van hun inkomen en spaargelden van ruim 70 % hebben geïncasseerd, en dat blijft stijgen. Stichting CPAS vindt dat nu De Nationale Assemblee en de regering falen de belangen van de burgers te beschermen, een beroep op de rechters moet worden gedaan ter verkrijging van de vereiste rechtsbescherming om een nog zwaardere aantasting van hun inkomen en vermogen te vermijden.

Geen vonnis dus geen belastingplicht
Volgens het recht kan minister Hoefdraad de Wet Rij- en Voertuigenbelasting (afgekort: Wet RVb) niet handhaven omdat de rechtmatigheid van de wet ter beoordeling van de rechter is voorgelegd. Zolang er geen vonnis is kan de wet niet worden toegepast en dus bestaat er geen plicht aan de zijde van de burgers de belasting te betalen. 
Dat betekent dat de procureur-generaal als baas van de Korps Politie Suriname geen opdracht aan de politie mag geven om de Wet RVb te handhaven, met andere woorden de politie is onbevoegd de burger een boete te laten betalen omdat het geen bewijs zal hebben van het betaald hebben van de RV-belasting.

Minister veroorzaakt ongelijke behandeling en dus discriminatie
De Grondwet bepaalt dat discriminatie is verboden. Zuur en ongerechtvaardigd dat per heden de situatie is ontstaan dat sommige burgers de RV-belasting wel hebben betaald en sommige burgers dat niet hebben betaald. Als minister Hoefdraad een zuiver rechtsgeweten had gehad, dan had hij de betaalde RV-belasting aan de burgers van Suriname terug moeten geven. Dit gedrag is niet alleen niet redelijk maar is volgens het recht onacceptabel omdat de ontstane ongelijke behandeling van de burgers een onrechtmatige en dus verwerpelijke daad is. Dit betekent dat minister Hoefdraad niet alleen de RV-belasting moet teruggeven, maar ook verplicht is de burgers een vergoeding voor misgelopen rente én een schadevergoeding moet geven vanwege het gepleegd hebben van een onrechtmatige daad.

RV-belasting voor 2020 niet betalen
Zoals eerder opgemerkt, de Wet RVb mag niet tot uitvoering komen zolang de rechtszaak loopt omdat volgens een ongeschreven rechtsbeginsel hoger beroep in principe een schorsend effect heeft op de beslissing van de kantonrechter. Dat betekent dat de burgers de RV-belasting voor het jaar 2020 niet hoeven te betalen. Wilde minister Hoefdraad deze situatie voorkomen dan had hij uiterlijk 9 juni 2019 zijn standpunten aan de hoger beroepsrechters duidelijk moeten maken en kon hij zo verzoeken dat de rechters spoedig een vonnis zouden verstrekken. Dit heeft minister Hoefdraad niet gedaan, waardoor de burgers, door het uitblijven van een vonnis, de RV-belasting voor het jaar 2020 niet hoeven te betalen.

Juridisch beginsel: niet ‘de wet is de wet’ maar ‘het recht is het recht’
Stichting CPAS heeft bij de rechter gevorderd dat de Wet RVb geen rechtswerking mag hebben. Dat is gebaseerd op de stelling dat de wet niet verenigbaar is of wel in strijd is met de beschermde belangen zoals deze zijn vastgelegd in onze Grondwet en twee door Suriname geratificeerde mensenrechtenverdragen. 

De situatie van inflatie en devaluatie van de Surinaamse dollar heeft veroorzaakt dat er een waardedaling van de koopkracht van het inkomen en van het spaargeld van burgers is ontstaan. Dit mag niet omdat o.a. in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten van de Verenigde Naties in artikel 1 lid 2 van het verdrag bepaald is dat ‘in geen geval mogen een volk zijn bestaansmiddelen worden ontnomen’. Deze bepaling betreft een fundamenteel beginsel dat veroorzaakt dat een parlement en/of regering haar wetgevingsbevoegdheid niet zodanig mag gebruiken waardoor een zware aantasting van een beschermd belang zal optreden, namelijk een te zware waardedaling van de koopkracht van het inkomen. De Nationale Assemblee en de regering moeten begrijpen dat de fundamentele rechten van de burgers beperkingen oplegt bij het maken van wetten.

Hoefdraad beweerde publiekelijk ‘de wet is de wet’, maar sinds 1948 luidt de stelling ‘het recht is het recht! Dat wil zeggen dat als een wet in strijd is met het recht, het ongeldig is. Zowel minister Hoefdraad als DNA heeft gefaald het belang van de burger te beschermen, door een wet te introduceren die de levensstandaard aantast i.c. verlaagd en feitelijk willens en wetens een wet maken die het volk van Suriname onderdrukken.

Anand Biharie
Stichting CPAS

Friday 06 December
Thursday 05 December
Wednesday 04 December