De recente artikelen over de rol en integriteit van de landmeter tonen aan dat er enerzijds onduidelijkheid bestaat over de wettelijke en vaktechnische verantwoordelijkheden van de landmeter en anderzijds de neiging bestaat om misslagen bij gronduitgiften toe te schrijven aan één enkele actor. Dit terwijl de gronduitgifte juist het resultaat is van de betrokkenheid van meerdere stakeholders (o.a. landmeters, Ministerie van GBB, MI-GLIS).

Conform de wettelijke regels wordt een grondaanvraag gedaan op basis van een figuratieve perceelkaart, die uitsluitend door een beëdigde landmeter mag worden vervaardigd. De werkzaamheden voor een grondaanvraag beginnen bij de landmeter. Voor de vervaardiging van deze kaart dient de landmeter een grondrechtelijk onderzoek te verrichten bij zowel het Domeinkantoor als bij MI-GLIS. Het grondrechtelijk onderzoek bij het Domeinkantoor is problematisch, omdat de beschikbare informatie verouderd is en er geen volledig overzicht bestaat van uitgegeven percelen en vrij domeingrond.

Naast het Domeinkantoor speelt ook MI-GLIS een belangrijke rol. MI-GLIS beschikt over een omvangrijk kaartenbestand en een percelenadministratiebestand. Hoewel het systeem niet alle informatie bevat, kan de landmeter toch in aanzienlijke mate betrouwbare informatie vergaren. Dit maakt het mogelijk om een relatief accuraat grondrechtelijk onderzoek te verrichten.

Uit onderzoek is helaas gebleken dat veel landmeters geen grondrechtelijk onderzoek verrichten alvorens een figuratieve perceelkaart te vervaardigen. Er zijn diverse casussen waarbij een landmeter een vertekend beeld heeft gecreëerd door voor een grondaanvraag een kaart te maken van een eigendomsperceel of een reeds uitgegeven perceel. Onderzoek wijst uit dat een aantal gevallen van dubbele gronduitgiften eenvoudig voorkomen had kunnen worden, indien de landmeter vooraf een grondrechtelijk onderzoek bij MI-GLIS had uitgevoerd.

Enkele veelvoorkomende praktijkgevallen waarmee burgers worden geconfronteerd zijn:
a. Perceelkaarten die niet op waarheid berusten;
b. Verkeerde perceelsuitmetingen: een PID wordt op andermans perceel gevestigd;
c. Foutieve grensuitzettingen: gevallen waarbij er een significante afwijking bestaat tussen de juridische en de feitelijke grens, en de grensvaststelling wordt uitgevoerd zonder (schriftelijke) instemming van de perceeleigenaren.

Daarnaast zijn er ook gevallen waarbij opzettelijk informatie wordt verzwegen of een vertekend beeld wordt gecreëerd, zodat een perceels-ID kan worden verkregen via MI-GLIS. Zulke praktijken leiden tot twijfel over de deskundigheid, zorgvuldigheid, betrouwbaarheid en integriteit van betrokken landmeters. De taken van de landmeter zijn immers niet alleen technisch, maar ook juridisch van aard. Zij moeten de geldende wet- en regelgeving nauwgezet in acht nemen om hun technische werkzaamheden correct uit te voeren.

Krachtens de artikelen 46 jo. 47 Wet GLIS en artikel 12 van de landmetersinstructies is de beëdigde landmeter persoonlijk verantwoordelijk en aansprakelijk bij het onjuist en onverantwoord uitvoeren van diens taken. Belanghebbenden kunnen in zulke gevallen het tuchtcollege benaderen. In een eerder verschenen artikel, “Revitalisatie tuchtcollege voor landmeters noodzakelijk”, is het belang van dit orgaan reeds benadrukt.

We kampen met vele grondproblematieken en alle stakeholders dragen daar verantwoordelijkheid voor. Het is geen geheim dat het Ministerie van GBB met tekortkomingen en vooral met corruptie kampt. Desalniettemin verdient het waardering dat de huidige minister enkele stappen onderneemt om de wettelijke regels te handhaven en het algemeen belang te waarborgen.

Het Surinaamse volk heeft geen baat bij 'vingerwijzen'. Burgers worden al geconfronteerd met hoge kosten voor landmeetkundige werkzaamheden en opmerkelijke prijsverschillen tussen landmeters. Daarbovenop komt vaak nog het gebrek aan rechtszekerheid.

Aanbevolen wordt dat de stakeholders overgaan tot samenwerking, het opbouwen van goede communicatieve relaties en transparante processen via GBB. Het is van eminent belang dat integriteit, transparantie en toezicht op naleving van de wet- en regelgeving de fundamenten vormen voor het grondbeleid.

mr. Santucia Dwarka Chaube