Column: Hopeloos
25 May, 00:59
foto
Arnold, August Desiré Breeveld op zijn ziekbed, dat zijn sterfbed zou worden omringt door zijn kinderen Clarence, Hans, Carl, Lucia, Borger en een bezoekster. Steeds gevat en vaak humoristisch maakte hij gebruik van de taal.


De relativerende woorden van minister Marie Levens aan leerlingen dat het krijgen van een diep onvoldoend cijfer nog niet het einde van de wereld is, brachten mij terug naar mijn eigen schooljaren. Ik zat in de vierde klas van de lagere school. Naast het rapport dat wij 3 keer per jaar kregen, werden onze ouders/verzorgers wekelijks middels een weekstaat geïnformeerd over onze schoolprestaties.

In die betreffende week had een 1 (één) voor dictee. Overigens niet de eerste keer. De onderwijzer vergezelde het rode cijfer met de opmerking: ‘Hopeloos’. Mijn vader die toen dominee was in Coronie had – in samenspraak met mijn moeder - besloten dat mijn broer Borger en ik in Paramaribo op school zouden gaan. Wij woonden in bij de zus van mijn moeder, tante Eugenie. Dat weekend zou mijn vader in Paramaribo zijn.

Vanwege de opmerking op mijn weekstaat stond ik duizend angsten uit. Mijn vader had namelijk een paar pantoffels, die niet alleen voor zijn voeten bestemd waren. Zijn reactie op de weekstaat was echter totaal anders dan ik verwachtte. De opmerking Hopeloos stoorde hem meer dan het rode cijfer. Hoe kan een onderwijzer op een christelijke school dat schrijven … Hopeloos? Tegen mijn moeder zei hij dat zij maandag niet – zoals gebruikelijk - terug zouden gaan naar Coronie. Hij zou die maandag gebruiken om aan mijn klassenonderwijzer ‘verduidelijking’ te vragen.

In die dagen was er bijzonder veel ontzag voor de dominee, die weleens gezien werd als bewaker van de hemelpoort. Hij mocht dus naar de klas. Hoewel mijn vader en de klassenonderwijzer op de gang stonden te praten kon ik bij flarden wat kritische vragen en opmerkingen van mijn vader opvangen. Kon op een christelijke school een leerling als hopeloos gekwalificeerd worden? Retorisch vroeg hij dat als een christelijke school een leerling als hopeloos bestempelt waar deze dan nog terecht kon. Wat moet ik dan met mijn zoon doen? Geloven is hopen. En zo ging mijn vader nog even door.

Mijn vader kon zich mijn problemen met het dictee niet voorstellen. Elke morgen werd bij het ontbijt uit de kinderbijbel gelezen, terwijl mijn vader ’s middags een of meer verhalen aan ons vertelde. Ik hield van verhalen, maar las ze zelden zelf. De liefde voor het lezen zou komen door de verhalen van R. Dobru die hij in de boeken Bos mi esesi publiceerde.  De verhalen werden eerst als feuilleton op de tiener-pagina van de krant Suriname opgenomen. Week na week verslond ik Dobru’s verhalen. Ze waren zo herkenbaar Surinaams. Alles wat ik eerder las was uit verplichting; de verhalen van Dobru las ik met plezier.

Het zou echter tot de kweekschool duren voor de spelling mij wat duidelijker zou worden. Daar leerde ik Munda Rakim kennen. We schreven elkaar brieven. Zij zag dat bepaalde grammaticale fouten vaak terugkwamen. Ze wees mij er niet alleen daarop, maar vulde ook de grammaticale lacunes, die opeenvolgende leerkrachten niet opgevallen waren.

Toen ik van de Pedagogisch Academie in Utrecht slaagde met een 8 voor Nederlands moest Ik heel erg denken aan mijn oud-onderwijzer, Dobru, Munda en mijn vader. Ik moest ook aan hen denken toen ik op een Nijverheidsschool in Utrecht - waar ik het vak Nederlands verzorgde - een proefwerk met de studenten  besprak en onderbroken werd met de opmerking: “Meester we komen niet van de hoge stoep rollen als u”. Ik dacht: als zij maar wisten.

In Nederland ontdekte ik overigens dat bij het onderwijs in Suriname toen bij de toets vooral werd nagegaan wat je niet weet, terwijl men in Nederland onderzocht wat je wel weet, of voldoende kennis van heb.

Hoe ging het verder met die onderwijzer die op basis van een marginaal aspect van het onderwijsgebeuren tot zo een vergaand oordeel als hopeloos kwam?

Hij en mijn vader werden de beste maatjes, terwijl hij vaak informeerde naar de voortgang van mijn studie. Soms denk ik dat lage cijfers meer zeggen over de bekwaamheid van docenten om de stof over te dragen dan over de intelligentie van de leerling of van de student. Maar bovenal geloof in de relevantie van het blijven hopen, vooral als je de juiste mensen om je heen hebt, of deze je pad kruisen. Hoop is dan geen uitgestelde teleurstelling, maar een voorschot op toekomstig geluk.

Hans Breeveld
Advertenties

Wednesday 17 August
Tuesday 16 August
Monday 15 August