Kennen beleidsmakers onze diplomatieke geschiedenis?
26 Nov, 04:34
foto
Raymond Henri Pos


Met eigen oren horen, met eigen ogen zien en met eigen stem spreken. Zo zou men het verlangen naar een eigen Surinaamse vertegenwoordiger in het buitenland kunnen verwoorden, een verlangen dat reeds in de veertiger jaren van de vorige eeuw heel sterk aanwezig was bij de Surinaamse politieke en intellectuele elite.

Suriname, eerst volksplanting (1667), toen kolonie (1815,) later gebiedsdeel (1936) en vervolgens rijksdeel (1954) kreeg wat de interne belangenbehartiging betreft telkenmale meer ruimte, maar voor wat de externe i.e. de buitenlandse belangenbehartiging betreft, had het rijksdeel Nederland duidelijk de krijtlijnen getrokken. De Ronde Tafel Conferentie van 1948 had duidelijk bepaald dat de Koning het opperbestuur had over de buitenlandse betrekkingen.

In de jaren 40 van de 20e eeuw, vooral na de Tweede Wereldoorlog, groeide in de gehele koloniale wereld het verzet tegen de koloniserende mogendheden. Dit verzet resulteerde in een mondiale dekolonisatie golf, die aan vele landen de onafhankelijkheid bracht.

In Suriname was het streven niet direct een volledige onafhankelijkheid, maar het verlangen voor een zelfstandige behartiging van de buitenlandse betrekkingen. Op 11 november 1947 verklaarde in de Staten van Suriname het lid Emile de la Fuente dat “Suriname niet langer kan lopen aan de leiband van Den Haag dat zonder kennis van de feitelijke toestanden in dit land, regelingen treft die in strijd zijn met onze belangen”.

Op de op verzoek van Suriname in mei/juni 1961 gehouden Ronde Tafel Conferentie in Den Haag met als centrale thema het verlangen van Suriname naar zelfstandigheid in de buitenlandse betrekkingen, verklaarde de Surinaamse premier S.D. Emanuels, dat “er zich gemakkelijk belangen tegenstellingen en ook een gebrek aan kennis omtrent Surinaamse behoeften en omstandigheden kunnen voordoen”. Emanuels verklaarde dat de conclusie van Suriname logisch en onweerlegbaar is nl. “dat de verdere ontwikkeling het noodzakelijk maakt dat Suriname zijn buitenlandse betrekkingen zelfstandig behartigt”.

Echter, de Staatsregeling van 1936 bood Suriname niet de mogelijkheid voor de benoeming van een eigen vertegenwoordiger in het buitenland m.n. in Nederland. Die mogelijkheid werd wel gecreëerd in de Wet van 21 mei 1948 houdende de wijziging van de Surinaamse Staatsregeling. In artikel 67h, lid 1 werd opgenomen: “Er is een vertegenwoordiger van Suriname in Nederland”.

In november 1947 werd Mr. Dr. Raymond Henri Pos benoemd tot de eerste Vertegenwoordiger van Suriname in Nederland. In de relatie Suriname – Nederland vonden na 1947 snelle ontwikkelingen plaats die de instelling van nog een vertegenwoordiging noodzakelijk maakten. Die vertegenwoordiging werd het Commissariaat genoemd met aan het hoofd een Gecommitteerde. In januari 1949 werd tot de eerste Gecommitteerde benoemd Mr. Henry (Hein) Luciën de Vries.

Begin 1961 verliet Surinames eerste en ook enige Gecommitteerde de dienst. In 1965 aanvaardde Hein de Vries het ambt van gouverneur, dat hij bekleedde tot 15 maart 1968.

Overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden dat in december 1954 in werking trad, werd Vertegenwoordiger Raymond Pos benoemd tot de eerste Gevolmachtigde Minister van Suriname in Nederland.

Tot de onafhankelijkheid in november 1975 heeft Suriname 6 Gevolmachtigde Ministers gehad, te weten, Raymond Pos, Severinus Emanuels, Johan Einaar, Walter Lim A Po, Daisy Polanen en Wim van Eer. Bij de onafhankelijkheid werd Wim van Eer, de eerste ambassadeur van de Republiek Suriname in Nederland.

Lacht Nederland in zijn vuistje?
De Ronde Tafel Conferentie van 1961 had Suriname niets opgeleverd, in de wandelgangen van de Conferentie werd gezegd dat Suriname de kwadratuur van de cirkel zocht. De status quo bleef gehandhaafd, buitenlandse betrekkingen bleven een aangelegenheid van het rijksdeel Nederland. Suriname was zwaar teleurgesteld, de sfeer op de Conferentie was gespannen en het was Raymond Pos die met een klein rijmpje de partijen tot elkaar wist te brengen:

Er bloeit een heel klein bloempje
Aan de oever van de stille vliet
Het heeft een heel klein naampje
Verbind, verbind me niet


Als valabel alternatief werd in augustus 1961 het Bureau Buitenlandse Betrekkingen (BBB) ingesteld, met aan het hoofd Mr. Henricus Heidweiller. Toen Suriname in 1975 onafhankelijk werd, was het BBB de basis voor de opzet van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Buitenlandse Dienst.

Lang voor onze onafhankelijkheid hadden onze politici van het eerste uur reeds begrepen dat het zelfrespect van het Surinaamse volk eist dat Surinamers zelf best in staat zijn de eigen belangen te behartigen. Personen die jarenlang buiten de Surinaamse grenzen wonen, zijn daartoe niet in staat.

Ruim 80 jaar lang heeft Suriname sterk geloof gehad dat wij onze eigen boontjes moeten doppen. Echter, enkele weken geleden besloten onze beleidsmakers dat wij een diplomaat moeten rekruteren onder Nederlanders en nota bene werd ook de uitspraak gedaan “er zullen nog meerdere van zulke benoemingen volgen”.
Na 45 jaar onafhankelijkheid  en na ruim 80 jaren strijd wordt nu bevestigd dat Suriname niet in staat is om met inzet van eigen gelederen en eigen diplomatiek kader inhoud te geven aan het behartigen van onze belangen in de wereld.
Het komt  in 2020 over alsof de strijd zinloos was en het nagestreefde zelfrespect nutteloos!

Rudie Alihusain
Advertenties