Vormt het bepaalde in artikel 22 Bankwet een strafsanctie?
14 Feb, 09:32
foto


Ik heb met bijzondere interesse kennis genomen van het artikel van mr. Carlo Jadnanansing betreffende de wijze waarop artikel 22, tweede lid van de Bankwet Suriname uitgelegd dient te worden en het vervolgens door de heren Sunil Sookhlall en Kries Mahabier daarop geleverde commentaar. In artikel 22, tweede lid, eerste volzin van de Bankwet is bepaald dat een persoon tegen wie een vonnis wegens misdrijf dan wel ter zake van enig delict van financieel-economische aard is uitgesproken, in Suriname of in het buitenland, niet benoembaar is tot president van de Bank. De ratio van deze bepaling is om te voorkomen dat een persoon met een strafbaar verleden onderdeel gaat uitmaken van het openbaar bestuur en derhalve de integriteit van het openbaar bestuur zou kunnen aantasten.

De cruciale vraag is: beoogd artikel 22 tweede lid, tweede volzin van de Bankwet leed toe te voegen? Anders gezegd: moet  artikel 22 tweede lid, tweede volzin van de Bankwet worden aangemerkt als een vorm van 'schaduwstrafrecht'? In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat een bestuursmaatregel door een betrokkene al heel gauw als straf en pijnlijk zal worden ervaren. Echter, de door een betrokkene ervaren leedtoevoeging impliceert niet automatisch leedtoevoeging door de bewaker van het algemeen belang. Zo kan een bestuursrechtelijke maatregel als leedtoevoeging worden ervaren, maar is toch géén sprake van een bestraffende sanctie. 

Ter zake de toepassing van artikel 22 tweede lid, eerste volzin van de Bankwet is van belang dat op grond van het universeel geldende praesumptio innocentiae (onschuldpresumptie) eenieder voor onschuldig dient te worden gehouden tot het tegendeel is bewezen. Dit vermoeden houdt in dat burgers in strafzaken het voordeel van de twijfel krijgen tot het tegendeel bewezen is voor een onafhankelijke rechtbank. Anders gezegd: iemand als misdadiger bestempelen zonder dat er sprake is van een veroordeling, is in strijd met de onschuldpresumptie. De onschuldpresumptie is echter slechts van toepassing indien de sanctie van artikel 22, tweede lid, eerste volzin van de Bankwet inderdaad als een 'criminal charge' aangemerkt dient te worden.

Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens valt af te leiden, wil de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het EVRM, van toepassing zijn, hetzij sprake moet zijn van een 'criminal charge', bijvoorbeeld in een punitieve bestuursrechtelijke procedure, hetzij sprake moet zijn van een niet-punitieve bestuursrechtelijke procedure waaraan parallel een strafrechtelijke procedure loopt of heeft gelopen. De reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM is derhalve niet beperkt tot strafrechtelijke procedures, maar kan zich in een voorkomend geval ook uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure, indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit en samenhangen met de strafrechtelijke procedure. Ik meen dat de rechtspraak van het EHRM naar analogie een houvast kan bieden voor de uitleg van artikel 22 van de Bankwet.

Gezien de in artikel 22 Bankwet gebruikte bewoordingen zou betoogd kunnen worden dat er sprake is van een zodanige nauwe band met de daaraan vooraf gegane strafprocedure ter zake de 'criminal charge' dat zij moet worden beschouwd als een uitvloeisel van die 'criminal charge'. Als het de wens en bedoeling van de wetgever is dat het bepaalde in artikel 22, tweede lid, tweede volzin van de Bankwet uitsluitend als een bestuursrechtelijk instrument aangemerkt dient te worden, dan verdient het mijns inziens aanbeveling deze bepaling anders te formuleren en een rechtsvermoeden te hanteren. 

In mijn optiek zou het in artikel 22, tweede lid, eerste volzin van de Bankwet bepaalde als volgt geherformuleerd kunnen worden: 
'Een persoon kan niet als president worden benoemd indien de gegronde vrees bestaat dat die persoon zich schuldig zal maken aan enig handelen dat een behoorlijk president niet betaamt. Gegronde vrees is in elk geval aanwezig indien tegen een persoon een vonnis wegens misdrijf dan wel ter zake van enig delict van financieel-economische aard is uitgesproken, in Suriname of in het buitenland. Daarbij is niet van belang of het vonnis onherroepelijk is.'

Gegronde vrees dat de integriteit van het openbaar bestuur aangetast zal worden kan gerechtvaardigd zijn indien een persoon in het verleden strafrechtelijk vervolgd is, al is het niet tot een veroordeling gekomen. Het vereiste van gegronde vrees kan blijken uit een eerdere strafvervolging, ook al volgt op basis van de concrete feiten en overige relevante omstandigheden geen veroordeling. Kortom: de schijn van in het verleden gepleegd strafbaar gedrag is voldoende om aan de integriteit en betrouwbaarheid van een persoon die het ambt van president van de Centrale Bank ambieert, te twijfelen.

Amsterdam, 13 februari 2020
mr. O.H.A. Mo-Ajok
Advertenties

Thursday 27 February
Wednesday 26 February
Tuesday 25 February