Dupliek: Toetsing van Amnestiewet aan Inter-Amerikaans Hof onjuist
08 Jun 2012, 21:00
foto
Gaetano Best


Het doet me deugd om te vernemen dat mijn jongste bijdrage weerklank heeft gevonden, althans niet onopgemerkt is gebleven. Tegelijkertijd moet ik vaststellen dat de tegenargumenten die worden aangedragen door de heer Eugene van der San, met het kennelijke doel mijn stellingen te weerleggen, positieve overtuigingskracht ontberen. Desalniettemin acht ik het van belang nader in te gaan op een aantal aspecten die zijn opgeworpen in reactie op mijn artikel over de rechtens onjuiste toetsing van de Amnestiewet aan de relevante bepalingen van het Inter-Amerikaans mensenrechtenverdrag (IAVRM).

Onafhankelijkheid
Ik hecht eraan te benadrukken dat mijn belangstelling voor de totstandkoming en werking van de gewijzigde amnestiewet in de eerste plaats is ingegeven door mijn Surinaams staatsburgerschap. Het toeval wil dat het wetenschappelijk onderzoek dat ik verricht nogal wat raakvlakken heeft met het strafproces dat nu voor de Krijgsraad dient. Deze combinatie van persoonlijke en professionele betrokkenheid bij Suriname in het algemeen en het decembermoordenproces in het bijzonder heeft gemaakt dat ik mij geroepen voelde de Surinaamse gemeenschap voor te lichten over de ontoelaatbaarheid van het amnestiëren van grove mensenrechtenschendingen.

Ik ben geen lid van een politieke partij. Ik sympathiseer ook niet met een politieke partij. Voor zover mijn uiteenzettingen al in een straatje passen, dan is dat slechts het straatje van de rechtswetenschap. Onafhankelijkheid is het grootste goed van een wetenschapper en men kan er van op aan dat ik die stelregel te allen tijde in acht neem.

Argumentatieregels
De kwalificatie van ‘moraalridder’ laat ik voor rekening van anderen. Ik wil er wel op wijzen dat het geen valide argument is, maar enkel een verdachtmaking. Het zich bedienen van verdachtmakingen is in een juridisch discours overigens een zwaktebod. Zij duiden immers op een gebrek aan valide argumenten om het met feiten onderbouwde oordeel van een ander te weerleggen. Hetzelfde geldt voor de bewering als zou ik de Krijgsraad op oneigenlijke wijze willen beïnvloeden.

Voor zover mijn uiteenzettingen zich lenen voor een kwalificatie, dan is het slechts die van rechtspositivist. Het voert te ver om op deze plaats in te gaan op alle wezenskenmerken van het rechtspositivisme (zie o.a. H.L.A. Hart, The Concept of Law 1994) Eén van de kenmerken van het rechtspositivisme is echter dat wetenschappers die zich tot die stroming rekenen niet uitgaan van een logisch noodzakelijk verband tussen recht en moraal. De kwalificatie van ‘moraalridder’ mist derhalve ook nog eens iedere feitelijke grondslag.

Monisme vs. Dualisme
Het onderscheid dat in de rechtswetenschap wordt gemaakt tussen monistische en dualistische rechtsstelsels heeft betrekking op de wijze waarop nationaal recht en internationaal recht zich in een bepaald rechtssysteem tot elkaar verhouden. Het zijn wetenschappelijke modellen die het mogelijk maken om de meest gangbare manieren waarop internationaal doorwerkt in nationale rechtsstelsels, te categoriseren. In een dualistisch rechtsstelsel maken internationale normen pas deel uit van de nationale rechtsorde nadat zij door een omzettingshandeling zijn getransformeerd in nationaal recht. In monistische rechtsstelsels, daarentegen, maken internationale normen vanaf het moment waarop ze voor de betreffende staat bindend worden, deel uit van de nationale rechtsorde zonder dat ze hun karakter van internationale norm verliezen.

Uit artikel 105 van onze Grondwet (GW) volgt onmiskenbaar een monistische verhouding tussen nationaal en internationaal recht. Uit dit artikel blijkt namelijk dat verdragsbepalingen verbindende kracht hebben zodra het betreffende verdrag is bekendgemaakt (in het Verdragenblad). Omzetting van het verdrag in een nationale wet is dus niet vereist. Voor zover in het grondwetsartikel een dualistisch kenmerk is te bespeuren, kan zulks alleen zien op de grondwettelijke eis van bekendmaking. De eis van bekendmaking heeft echter niet tot doel het verdrag te transformeren, maar enkel om er verbindende kracht (lees: directe werking) aan te verlenen. Met betrekking tot die eis heeft de Krijgsraad, overigens terecht, vastgesteld dat het IAVRM op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (zie Verdragenblad 2008, 5). In die zin schetst het verbazing dat de Krijgsraad de amnestiewet niet ook heeft getoetst aan het VN Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Ook dat verdrag is immers bekendgemaakt (zie Verdragenblad 1981, 17).

Het monistische karakter van de Surinaamse rechtsorde volgt ook uit de door de Krijgsraad zelf verrichte (zij het rechtens onjuiste) directe toetsing van de amnestiewet aan de verdragsbepalingen uit het IAVRM. In een dualistisch rechtsstelsel was dat simpelweg niet mogelijk geweest. In ons, monistisch, rechtsbestel schrijft artikel 106 GW zulks echter zelfs voor! Sterker nog, laatstgenoemd artikel bevat een grondwettelijk gebod aan alle staatsmachten (wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende) om geen toepassing te geven aan wettelijke voorschriften (lees: amnestiewet) wanneer deze toepassing onverenigbaar is met een ieder verbindende verdragsbepalingen van verdragen (lees: artikelen 1, 8 en 25 IAVRM). Voor een beter begrip van deze rechtswetenschappelijke taxonomie verwijs ik graag naar de werken van Prof. dr. A. Nollkaemper (National Courts and the International Rule of Law, Oxford University Press 2011) en Prof. dr. D. Shelton (International Law and Domestic Legal Systems, Oxford University Press 2011).

Het is mij overigens een raadsel wat de Toescheidingsovereenkomst van doen heeft met het decembermoordenproces. Voor zover er verschil van mening bestond tussen Suriname en Nederland over de uitvoering van de in dat verdrag opgenomen bepalingen, had de Surinaamse staat naar het Internationaal Gerechtshof kunnen stappen om de uitvoering van dat verdrag af te dwingen. Dat heet een ‘effectief rechtsmiddel’. Ook het feit dat de Surinaamse staat zich destijds knollen voor citroenen heeft laten verkopen om aldus te ontkomen aan de tenuitvoerlegging van het verdrag doet ook niet ter zake.

Openbaarheid van rechterlijke uitspraken
De grondwettelijke bepalingen die vereisen dat rechtszittingen en uitspraken van rechterlijke instanties in het openbaar geschieden (zie art. 136 lid 2 en 4 GW) zijn niet zinledig. Ze strekken er, onder andere, toe te verzekeren dat recht wordt gesproken op inhoudelijk juiste gronden. Nu die juridische analyse voor de goegemeente meestal niet mogelijk is, is het bij uitstek de taak van onafhankelijke en ter zake deskundige rechtswetenschappers om in die behoefte te voorzien.
Zonder, op inhoudelijke argumenten gestoelde, repliek vanuit de rechtswetenschap is rechtspraak immers niet meer dan een machtswoord. In die zin behoort de (rechts)wetenschap, naast de media en andere maatschappelijke instituten, tot een van de onmisbare schakels van ‘checks and balances’ in de keten die ‘democratische rechtsstaat’ heet. Het leveren van, met verifieerbare feiten onderbouwde, kritiek op een openbare rechterlijke uitspraak kan dus op geen enkele wijze worden gekwalificeerd als een inmenging, zoals bedoeld in artikel 131 lid 3 GW.

Artikel 131 lid 3 GW
Het is bovendien pertinent onjuist dat artikel 131 lid 3 GW een novum is in de Surinaamse rechtsorde. De regel maakt al bijna 150 jaar deel uit van ons staatsbestel. Zo was een vergelijkbare bepaling ook al opgenomen in artikel 139 lid 3 van het Regeringsreglement van 1865, stond er ook in artikel 141 van de Staatsregeling van 1936 een soortgelijke bepaling en bevatte ook onze Grondwet van 1975 een artikel met nagenoeg dezelfde strekking. In het reglement en de regeling werd het woord ‘tuss(ch)enkomst’ gebezigd, terwijl in beide grondwettelijke bepalingen steeds wordt gesproken van ‘inmenging’. Wat er wel of niet in de Nederlandse grondwet staat is bovendien ook irrelevant.

Bevoegdheid tot verlenen van amnestie
Uit artikel 72 onder g GW volgt dat het verlenen van amnestie bij wet moet worden vastgesteld. Uit deze grondwetsbepaling volgt echter niet dat de bevoegdheid tot het verlenen van amnestie absoluut is. Het tegendeel is waar. Die bepaling staat niet op zichzelf, maar moet worden gezien in het licht van alle overige, voor wetgeving en rechtsbescherming relevante, grondwettelijke - en verdragsbepalingen. Eén van de belangrijkste beperkingen van de bevoegdheid tot het verlenen van amnestie volgt uit artikel 106 GW: voor zover de amnestieverlening in strijd is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen (lees: artikelen 1, 8 en 25 IAVRM), mag de amnestiewet geen toepassing vinden. In de, door de architecten van de nieuwe amnestiewet gevolgde, lezing van artikel 72 onder g GW zou aan elke moord, marteling, mishandeling of onrechtmatige vrijheidsbeneming amnestie kunnen worden verleend, zolang de pleger maar kan rekenen op de zegen van de wetgever. En dat is nou juist wat de artikelen 1, 8 en 25 van het IAVRM tot doel hebben te voorkomen.

Daarmee zijn we aanbeland bij de ratio achter het verbod op het verlenen van amnestie voor grove mensenrechtenschendingen. Indien namelijk amnestie zou kunnen worden verleend aan mensenrechtenschendingen in het verleden gepleegd, kan dat net zo goed ten aanzien van mensenrechtenschendingen in de toekomst. Daarmee is niet gezegd dat deze ook zullen plaatsvinden, maar wel dat burgers er meer niet op kunnen vertrouwen dat de daders zullen worden gestraft wanneer de geschiedenis zich herhaalt. Effectieve rechtsbescherming is in wezen dus niets anders dan het vertrouwen van burgers in de handhaving van hun mensenrechten door de staat (de rechterlijke macht inbegrepen). Voor zover het verlenen van amnestie a priori bewerkstelligt dat van effectieve rechtsbescherming in het decembermoordenproces geen sprake kan zijn, is het dus niet alleen in strijd met het IAVRM, maar evenzeer met artikel 131 lid 3 GW.

Gomes Lund vs. Brazilië (2010)
Tot slot verwijs ik graag naar een baanbrekende uitspraak die het Inter-Amerikaans Hof wees tegen Brazilië. In hoofdstuk VIII van die uitspraak gaat het Hof uitvoerig in op het hoe en waarom van de ontoelaatbaarheid van het amnestiëren van grove mensenrechtenschendingen. Alle ontwikkelingen die zich in zowel internationaal als nationaal verband hebben voorgedaan worden zorgvuldig beschreven (paragrafen 150 t/m 169). Op grond van de artikelen 1, 8 en 25 IAVRM concludeert het Hof vervolgens dat de mensenrechten van de klagers zijn geschonden door de amnestiewet. Op grond van artikel 2 IAVRM wordt voor het overige de volkenrechtelijke staatsaansprakelijkheid van de Braziliaanse staat gestoeld voor het aannemen, dan wel in stand laten van de in 1979 aangenomen amnestiewet.

Ter bevestiging van de verplichtingen die voor de nationale rechter (lees: de Krijgsraad) voortvloeit uit het IAVRM, verwijs ik naar de laatste zin van par. 176: ‘De rechterlijke macht […] heeft de internationale verplichting om ambtshalve controle uit te oefenen op de verenigbaarheid van nationale wetten met de Amerikaans Conventie […]. Bij de uitoefening van deze taak moet de rechterlijke macht zich niet alleen houden aan het verdrag, maar ook aan de interpretatie die het Inter-Amerikaans Hof, als de ultieme uitlegger van de Amerikaanse Conventie, eraan gegeven heeft’.
Voor al het overige volsta ik met de verwijzing naar het standaardwerk over het IAVRM: L. Burgorgue-Larsen & A. Úbeda de Torres (transl. by Rosalind Greenstein), The Inter-American Court of Human Rights: Case-Law and Commentary, Oxford University Press 2011, 952pp.

Gaetano Best
Advertenties