Terugname gronden op basis van het Domeindecreet
15 Jul, 11:28
foto
Carlo Jadnanansing


1. Inleiding 
In de media is kort geleden een bericht verschenen waarin vermeld staat dat de Staat massaal gronden heeft ingetrokken. Dit zou gebeurd zijn met toepassing van het Domeindecreet. Deze mededeling heeft voor onrust gezorgd in de gemeenschap. Dit geheel ten onrechte, daar er helemaal geen onroerende goederen zijn ingetrokken. 
Wel heeft de Staat een begin gemaakt met de toepassing van het voormelde decreet, waarvoor enkele onbeheerde en kennelijk verlaten gronden zijn geselecteerd. Met betrekking tot deze gronden zijn door de president op basis van het Domeindecreet resoluties vervaardigd waarin hij verklaart dat er een vermoeden bestaat dat op enig stuk grond, anderen het recht van eigendom noch enig ander zakelijk recht bezitten en dat de grond mitsdien deel uitmaakt van het vrije domein van de Staat. Teneinde de materie beter te begrijpen, is het goed enige achtergrondinformatie te verschaffen over het Domeindecreet. 

2. Domeindecreet 1981
Dit decreet dat in 1981 tot stand is gekomen, biedt mogelijkheden die voor velen onbekend zijn. Blijkens de nota van toelichting is de strekking ervan te komen tot een nieuwe vaststelling van regels omtrent de rechtstoestand van onbeheerde en kennelijk verlaten gronden. Er wordt vermeld dat het voor een slagvaardig beleid in de praktijk noodzakelijk is gebleken de lange termijnen van de Domeinverordening 1936, die de voorloper is van het Domeindecreet, drastisch te verkorten. De procedure van laatstgenoemde verordening vergde minimaal twee jaar, terwijl het Domeindecreet de mogelijkheid opent de procedure te beperken tot elf maanden. Krachtens de Domeinverordening 1936 (thans vervallen) is in de jaren 1937 tot 1940 een aantal gronden in de boezem van het domein teruggebracht. 

De toepassing van deze verordening werd in 1940 gestaakt in verband met de ingetreden oorlogstoestand. Daarna is de toenmalige gouverneur pas in 1951 weer begonnen met het uitspreken van het vermoeden bedoeld in de Domeinverordening 1936 ten aanzien van een zestal gronden in Commewijne. Hoe het verder verlopen is met de toepassing van de Domeinverordening 1936 zou nader onderzocht moeten worden, maar het lijkt erop alsof er tussen 1951 en 1981 geen gebruik van gemaakt is. 

Hierbij wordt uitdrukkelijk vermeld dat, anders dan veelal gedacht wordt, het Domeindecreet geen deel uitmaakt van de Landhervormingdecreten (L-decreten) van 1982. Deze laatste decreten zouden als product van de revolutie beschouwd kunnen worden, terwijl bij het Domeindecreet sprake is van een stuk koloniale wetgeving. In 1981 is er alleen maar een verkorting van de termijnen ten opzichte van de Domeinverordening 1936 opgenomen en waar stond gouverneur is deze benaming gewijzigd in president. Dit laatste is trouwens bij alle wetten na de onafhankelijkheid in 1975 het geval.  

De achtergrond voor het maken van de Domeinverordening 1936 was dat de toenmalige koloniale overheid na afschaffing van de slavernij en het daarop volgende staatstoezicht, geconfronteerd werd met het probleem van de verlaten plantages. Veel eigenaren vertrokken naar hun land van herkomst, meestal Nederland, maar ook andere delen van Europa en lieten daarbij hun gronden onbeheerd achter. De destijds vigerende wetgeving bood te weinig mogelijkheden om deze gronden terug te laten keren in de boezem van de Staat. Vandaar dat gouverneur Tonckens (1899-1902) besloot deze materie in een aparte wet te regelen. 

Het duurde echter tot 1936 voordat de verordening werd aangenomen en wel onder bewind van gouverneur Kielstra. De vraag die kan rijzen is of een dergelijke koloniale wet nog past in deze tijd. In de eerste plaats moet gesteld worden dat wetten hun geldigheid behouden totdat zij op legale wijze worden afgeschaft. Anders gezegd de wetten zijn onschendbaar. De rechter mag dus niet in de beoordeling van de innerlijke waarde van de wetten treden. Maar bovendien zijn de redenen waarvoor de Domeinverordening 1936, thans Domeindecreet 1981, nog volop aanwezig. Het probleem van de verlaten plantages, maar ook overige gronden, is tot op heden niet opgelost. 
Men zou zich eerder moeten afvragen waarom het gebleven is bij een aanpassing van de wet in 1981, zonder het daarna in de praktijk toe te passen!

3. Rol van de president 
In het Domeindecreet is aan de president van de Republiek Suriname een centrale rol toebedeeld bij de terugname van onbeheerde en kennelijk verlaten gronden. Dit is overigens naar analogie van de vervallen Domeinverordening 1936, waarin de regie voor de terugname in handen van de gouverneur van de kolonie Suriname was. Er mag in casu gesproken worden van een prerogatief van de president. 
Het is waarschijnlijk de bedoeling geweest van de wetgever van 1981 om de terugname van onbeheerde en kennelijk verlaten gronden op een zo eenvoudig mogelijke wijze te laten plaatsvinden, zonder De Nationale Assemblee en de Ministerraad of zelfs de minister belast met grondaangelegenheden daarin een rol te laten spelen. Hierbij moet wel gesteld worden dat er voldoende waarborgen zijn ingebouwd voor de belanghebbenden, zoals hieronder zal worden vermeld. 

4. Adviescommissie Onbeheerde- en Kennelijk Verlaten Gronden
Van overheidswege is bekendgemaakt dat er een commissie is ingesteld onder voorzitterschap van de directeur van het Kabinet van de President, de heer E.J. van der San, die de president moet adviseren bij de te volgen procedure. Inmiddels heeft de commissie een aantal gronden geïdentificeerd die in de vorm van een pilotproject in aanmerking komen voor terugname in het vrije domein. 

5. Procedure
De president is bevoegd om bij resolutie te verklaren dat er een vermoeden bestaat dat met betrekking tot een bepaald stuk grond, geen eigenaar of andere zakelijk gerechtigde bestaat en dat de grond mitsdien deel uitmaakt van het vrije domein van de Staat. 
(NB: Dit houdt beslist niet in dat het desbetreffende stuk grond is ingetrokken! Deze verkeerde conclusie is door velen getrokken. Dit had voorkomen kunnen worden, indien de moeite genomen was de wettekst te raadplegen.)
Nadat de president de resolutie als voormeld heeft uitgebracht, moet het twee keer (met een tussentijd van tenminste 14 dagen) gepubliceerd worden in het ARS. Hoewel het volgens de wet niet noodzakelijk is, zal de resolutie tevens in tenminste één in Suriname verschijnend dagblad gepubliceerd worden. 
Belanghebbenden kunnen binnen 60 dagen na de eerste publicatie in het ARS mondeling of schriftelijk verzet aantekenen bij het Hof van Justitie.
Het Hof van Justitie deelt het verzet mede aan de president, die binnen 30 dagen een antwoord doet toekomen aan het Hof.
Het Hof van Justitie deelt het antwoord van de president aan de belanghebbende mee die op zijn beurt binnen 14 dagen zijn verweer bij het Hof moet indienen.
Het Hof van Justitie beslist over de ontvankelijkheid en of de deugdelijkheid van het verzet en deelt zulks mee aan de president.
Als uit de verklaring van het Hof van Justitie blijkt dat er geen verzet is ingesteld of als het ingestelde verzet niet ontvankelijk of ondeugdelijk is verklaard, zal door de president de overschrijvingsprocedure van deze verklaring in de registers van het MI-GLIS worden ingezet tot terugkeer van de grond/plantage in de boezem van de Staat.
Na de overschrijving van de verklaring van het Hof van Justitie in de registers van het MI-GLIS kan nog binnen zes maanden, door belanghebbenden die niet tijdig in verzet konden komen, bezwaar worden aangetekend bij het Hof van Justitie. Indien het bezwaar gegrond wordt verklaard, is de Staat verplicht tot vergoeding van de geldswaarde van het vervallen zakelijk recht.

Uit het voorgaande blijkt dat belanghebbenden voldoende wettelijke mogelijkheden hebben om te voorkomen dat hun onroerende goederen hen op onrechtmatige wijze worden afgenomen. 

Carlo Jadnanansing
Paramaribo, 14 juli 2019. 

Sunday 25 August
Saturday 24 August
Friday 23 August