Max Nijman: Surinames soulman number one
22 Jan 2016, 04:56
foto
Max Nijman 18 maart 1941 - 19 januari 2016. (Foto: Dureco 1975)


Met het heengaan van Max Nijman verliest Suriname een van zijn allergrootste zangers. Met zijn gloedvolle, doorleefde stemgeluid bracht hij soul uit Amerika naar Suriname, om het genre vervolgens geheel naar zijn hand te zetten.
Max Reinier Nijman werd op 18 maart 1941 geboren in Moengo, als achtste van zestien kinderen. Zwaar huishouden of niet, zijn moeder sloeg zich steevast zingend door de dag. Soulballads van onder meer Nat King Cole, The Platters of Jimmy Wotherspoon klonken door het huis. Uit school maakte Nijman via de jukebox kennis met hun originele opnames en raakte hij verslingerd aan de hits van onder meer The Drifters en Sam Cooke. Al snel kende hij alle teksten uit zijn hoofd.

Op de middelbare school formeerde hij een combo, want was er nou mooier dan zelf het repertoire van al die Amerikaanse sterren te vertolken? Tijdens een optreden in het Beatrix Theater op Moengo, ging de zaal voor het eerst plat. Het talent van de 16-jarige Max was ook de vrouw van een van de directieleden van Alcoa opgevallen. Ze vond dat veel meer mensen van zijn gouden stem moesten genieten en introduceerde hem in Paramaribo. Elk weekend vloog hij in een Cessna op en neer. Binnen de kortste keren stond Nijman in het voorprogramma van buitenlandse coryfeeën als Ben E. King, Barbara Lynn, Johnny Nash en Wilson Pickett. Na verloop van tijd keek het publiek net zozeer uit naar het fenomeen uit Moengo, als naar optredens van de Amerikaanse toppers.

Een van hen, Mighty Sparrow, wist Nijman over te halen om op Trinidad & Tobago in zijn club te komen zingen. Daar zong hij Amerikaanse covers en calypso en maakte hij kennis met Brook Benton, zijn grote voorbeeld. De soulzanger inspireerde hem om zelf liedjes te gaan schrijven en te putten uit zijn persoonlijke ervaringen. Zo ontstond, ingegeven door heimwee naar zijn familie en zijn moederland, de evergreen Ai Sranan. Het nummer staat voor veel Surinamers synoniem voor de thuiskomst in eigen land en schalt direct na de landing op Zanderij nog geregeld door de cabine van het SLM-toestel.

Daarna zouden nog vele songs volgen met Iene Miene Mutte, Wan Mama en Farawe als bekendste. In 1968 vertrok hij samen met zijn grote liefde Rinia naar Nederland. Het vertrek van Nijman uit Suriname viel de fans zwaar. Zijn afscheidsconcert kwam neer op een nationale happening en werd integraal uitgezonden op televisie. Speciaal voor deze gelegenheid schreef hij het nummer Adjossi. Geen begrafenisondernemer in Suriname of Nederland die het niet op de plank heeft liggen.

Eind jaren zestig had het Nederlandse publiek nog nooit van Max Nijman gehoord en het was dan ook uitgesloten dat hij er als artiest aan de slag kon. Vandaar dat hij zijn oude stiel als elektromonteur weer oppakte en een baan kreeg bij de firma Enkes in Voorburg. Daar herkenden een paar Surinaamse collega’s hem wél onmiddellijk als de grote soulartiest uit het uitgaansleven in Paramaribo. Via personeelsfeestjes en dankzij de directeur van het Haagse Arbeidsbureau, kreeg Nijman het in het weekend drukker dan door de week. Het leverde hem zijn eerste platencontract op.

Wat Nijman vooral speciaal maakte was dat zijn repertoire voor het overgrote deel bestond uit liedjes in het Sranan. Hij zag de taal als middel bij uitstek om het Surinaamse volk een eigen identiteit te verschaffen. De bewuste en consequente keuze voor het Surinaams maakte hem in eigen land extra populair. Niet in de laatste plaats omdat zijn carrière parallel liep aan de ontwikkeling van de jonge republiek.

Zijn live optredens bezorgden hem de meeste roem. Na verloop van tijd ging hij geregeld op tournee door Duitsland, Zwitserland, Zweden en België. Ook daar zong hij voornamelijk in het Surinaams. Nijman zag daar zelf geen enkel probleem in. De taal van de muziek is immers universeel, vond hij. Hij kon zijn nummers voor hetzelfde geld in het Hebreeuws of in het Chinees ten gehore brengen; het ging om de sfeer en de emoties. Toch wist hij zijn gehoor zeker ook met de inhoud van zijn songs te raken. Zelfs in Duitsland. Daar waren nogal wat van zijn fans oorspronkelijk afkomstig uit Ghana. Zij konden een nummer als ‘Katibo’ vrijwel letterlijk verstaan.

Vanaf de jaren zeventig toerde Nijman door het land, inmiddels met zijn eigen begeleidingsband: The New Faces. Daarna trad hij veelvuldig op met de band van Stan Lokhin, die de meeste van zijn elpees en singles produceerde. De band met Suriname bleef door de jaren heen intact. Met vaste regelmaat kwam hij optreden in zijn geboorteland. Zijn heimwee had hij inmiddels grotendeels onder controle, maar zijn familie bleef trekken. Én de vele fans. Nog altijd waren de zalen in Paramaribo en Moengo weken van tevoren uitverkocht als hij het land aandeed. De liefde zat diep en was wederzijds.

De laatste jaren sukkelde Nijman met zijn gezondheid. Hij had problemen met zijn hart en onderging een nierdialyse. De laatste keer dat het publiek hem te zien kreeg was eind november vorig jaar in de live talkshow van RTL Late Night. Gastheer Humberto Tan eerde hem als een van de grootste iconen uit de Surinaamse muziek. Dinsdagmiddag blies ‘oom Max’, omringd door zijn familie en op de klanken van Brook Benton, zijn laatste adem uit.

Diederik Samwel

Een uitgebreid portret van Max Nijman is terug te vinden in het onlangs verschenen boek ‘Sranan Gowtu’, iconen uit de Surinaamse muziek.