Op 9 augustus viert de wereld de Internationale Dag van de Inheemse Volkeren. Ook in Suriname zullen toespraken worden gehouden, culturele optredens plaatsvinden en woorden van waardering klinken voor de eerste bewoners van dit land. Dat is terecht. Maar waardering zonder rechtvaardigheid is hol. Viering zonder erkenning is een ritueel dat de werkelijkheid maskeert. 9 augustus zou daarom in de eerste plaats een dag van nationale bezinning moeten zijn.

Want achter de kleurrijke festiviteiten schuilt een ongemakkelijke waarheid. Suriname is gebouwd op het grondgebied van de oorspronkelijke Inheemse volken, terwijl hun collectieve rechten na eeuwen nog steeds niet volledig zijn erkend. Dat is niet slechts een politieke tekortkoming; het is een fundamenteel rechtsstatelijk en moreel vraagstuk.

De geschiedenis van Suriname begint niet met de Europese kolonisatie. Zij begint duizenden jaren eerder, toen Inheemse volken dit land bewoonden, bestuurden en beschermden. Hun rechten zijn daarom niet door een regering verleend en ook niet afhankelijk van parlementaire goedkeuring. Zij vloeien voort uit hun oorspronkelijke aanwezigheid. Dat zijn de pre-existente rechten: rechten die ouder zijn dan de staat Suriname zelf en die door de staat behoren te worden erkend, niet gecreëerd. Wie deze historische werkelijkheid ontkent, ontkent de oorsprong van Suriname.

Dat besef is niet nieuw. Op 10 januari herdenken we het vredesakkoord dat in 1686 werd gesloten met het koloniale bestuur. Daarmee erkende het koloniale gezag impliciet dat het tegenover een zelfstandig volk stond, met een eigen gezag en eigen territorium. Vrede sluit men immers niet met onderdanen, maar met een partij die als politieke werkelijkheid wordt erkend.

In 1976 liepen Inheemse leiders en hun medestanders in een historische protesttocht van Albina naar Paramaribo. Zij vroegen niet om privileges. Zij eisten dat Suriname eindelijk recht zou doen aan de eerste bewoners van het land. Vijftig jaar later klinken dezelfde eisen nog altijd: wettelijke erkenning van traditionele woon- en leefgebieden, bescherming van cultuur, zelfbeschikking en daadwerkelijke inspraak bij besluiten die hun toekomst bepalen.

Ook de recente geschiedenis getuigt van dezelfde strijd. De beweging Tucajana Amazones bracht de emancipatie van de Inheemse volken opnieuw op de nationale agenda. Leiders als Thomas Sabajo maakten duidelijk dat erkenning geen gunst is die door de overheid wordt verleend, maar een recht dat al bestond voordat de Surinaamse staat werd gevormd. Dit wordt herdacht op 8 augustus, toen de Binnenlandse Oorlog in 1992 met een vredesakkoord werd beslecht

Ondertussen heeft de wereld niet stilgestaan. In 2007 werd de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de Rechten van Inheemse Volkeren (UNDRIP) aangenomen. Daarmee bevestigde de internationale gemeenschap dat Inheemse volkeren recht hebben op zelfbeschikking, bescherming van hun traditionele gebieden en op vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming voordat ingrijpende besluiten over hun leefgebied worden genomen. Daar bleef het niet bij.

Het Kaliña- en Lokono-vonnis van het Inter-Amerikaanse Hof voor Rechten van de Mens verplicht Suriname om de collectieve rechten van deze Inheemse volkeren daadwerkelijk te erkennen en te beschermen. Daarmee werd nogmaals bevestigd dat het hier niet gaat om politieke wensen of maatschappelijke gunsten, maar om afdwingbare mensenrechten. Toch blijft de uitvoering achter. Dat brengt ons bij een ongemakkelijke, maar noodzakelijke conclusie.

Vanuit historisch en juridisch perspectief zijn de Inheemse volken de oorspronkelijke bewoners van Suriname. Hun pre-existente rechten maken hen de oorspronkelijke rechthebbenden op het land. Die constatering doet niets af aan de rechten van mede-Surinamers. Integendeel, zij vormt juist de basis voor een samenleving waarin historische waarheid, gelijkwaardigheid en rechtszekerheid naast elkaar kunnen bestaan.

Een volwassen democratische rechtsstaat hoeft niet bang te zijn voor haar eigen geschiedenis. Zij durft haar fundamenten onder ogen te zien en pleegt reparatie waar eeuwenlang onrecht is blijven bestaan. Zelfs na het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1975.

Daarom verdient 9 augustus meer dan traditionele dansen, symbolische toespraken of zelfs staatsbesluiten, waarbij de bescherming niet effectief genoeg optreedt. Het verdient politieke moed om gehoor te geven aan het geluid dat de Wet Bescherming Woon- en Leefgebieden met een straal van 5 kilometer volstrekt ontoereikend en onacceptabel is. 

De moed om de Grondwet in overeenstemming te brengen met internationale mensenrechten. De moed om de pre-existente rechten van de oorspronkelijke bewoners eindelijk ondubbelzinnig te erkennen en in de Grondwet te verankeren. De moed om internationale uitspraken daadwerkelijk uit te voeren. En bovenal de moed om te erkennen dat de waardigheid van een land begint bij de erkenning van degenen die het land als eersten hun thuis noemden. Pas dan zal 9 augustus werkelijk een nationale feestdag zijn.

Tot die dag blijft het vooral een dag die oproept tot nationale bezinning.

Uriel Sabajo
Tadzio Sarijoen
E-mail: urielsabajo78@gmail.com