Er zijn momenten waarop je je afvraagt of wij in Suriname werkelijk een soevereine republiek zijn, of slechts een openlucht-experiment waar belangen soeverein worden behartigd. Het dossier van de Mennonieten is daar inmiddels een schoolvoorbeeld van geworden, of beter gezegd: een herhaling van iets met een onplezierig geurtje.

Want laten we eerlijk zijn: vijftig gezinnen, zogenaamd voor drie jaar. In Suriname betekent dat ongeveer hetzelfde als “even snel iets regelen”, een begrip dat doorgaans eindigt in permanente situaties waar op den duur niemand nog de verantwoordelijkheid voor neemt. Menno-wel of Menno-niet, het lijkt op Menno-blijft.

Wat het geheel nog schrijnender maakt, is de route waarlangs deze vestiging plaatsvindt. Niet via transparante aankoop van domeingrond – nee, dat zou te netjes zijn. Bovendien laat de wet dat ook niet toe. In plaats daarvan wordt grond opgekocht bij particulieren. Alsof we een vastgoedbeurs zijn waar het hoogste bod wint en de nationale belangen ergens onderaan de stapel liggen. De vraag die niemand hardop stelt – wie profiteert hier werkelijk van? – wordt even luid beantwoord.

En dan de historische ironie, die bijna poëtisch wordt: nazaten van de ex-kolonisator, gewapend met een faciliterende christelijke overtuiging, maar gedreven door winstmaximalisatie, die opnieuw hun intrede doen in ons land, waar pre-existente rechten – de oorspronkelijke rechten van de inheemse gemeenschappen – nog steeds als voetnoot worden behandeld. Alsof de geschiedenis een slechte droom is die maar blijft terugkomen.

Alsof dat nog niet genoeg is, blijkt ook de begeleiding bij de aankoop van deze gronden wederom in handen te zijn van… juist, nazaten uit dezelfde kring.

Maar laten we het hebben over de echte kosten. Niet de papieren investeringen waar men zo graag mee schermt, maar de prijs die niet in SRD’s wordt uitgedrukt: ontbossing, verlies van biodiversiteit en verstoring van ecosystemen die eeuwenlang in balans waren. Het Amazonegebied is geen leeg canvas voor agrarische experimenten. Het is een levend systeem dat we keer op keer behandelen alsof het een wegwerpartikel is.

En wat zeggen onze buren in Zuid-Amerika? Peru, Paraguay, Bolivia, Belize en Mexico zijn landen waar de ervaringen met Mennonitische gemeenschappen niet bepaald als succesverhalen worden beschreven. Eerder wordt gesproken over conflicten met lokale gemeenschappen, milieuvervuiling en gesloten gemeenschappen die zich weinig aantrekken van de samenleving waarin zij zich vestigen. En ja, er zijn ook minder fraaie berichten over betrokkenheid bij drugshandel, die steevast worden weggewuifd als incidenten. Hoeveel incidenten maken een patroon? Nota bene is een vestigingsgebied gekozen ver van de samenleving en bezaaid met landingsbanen voor kleine vliegtuigjes.

Dus de vraag dringt zich op: wanneer zou Suriname hier werkelijk iets aan verdienen? Niet in beloften, niet in persberichten, maar in tastbare, duurzame voordelen voor de bevolking? Of blijven we hangen in het eeuwige “investeringen aantrekken” zonder ooit de balans op te maken?

Het wordt tijd dat DNA niet alleen haar controlerende rol uitoefent, maar ook faciliteert in een directe volksraadpleging. Organiseer een bindend referendum. Laat het volk spreken over de vraag of wij deze ontwikkeling willen of niet.

En als het antwoord “niet” is, wees dan ook moedig genoeg om de volgende vraag te beantwoorden: naar welk land worden deze Mennonieten dan gedeporteerd? Want laten we duidelijk zijn: gastvrijheid is geen synoniem voor grenzeloze goedgelovigheid, en daar zadel je je buren ook niet mee op.

Suriname verdient beter dan dit. Onze bossen, onze inheemse broeders en zusters, onze toekomst zijn geen pionnen in een geopolitiek of imperialistisch schaakspel dat wij niet zelf hebben geïnitieerd.

Dus nog een keer de vraag, luid en duidelijk: Menno-wel of Menno-niet?

Voor mij is het antwoord inmiddels glashelder: Menno-liever-niet.

Tadzio Sarijoen