Na een van de ernstigste geweldsincidenten van de afgelopen jaren is een verdachte overleden in een politiecel. De man werd verdacht van het doden van negen mensen, onder wie zijn vier eigen kinderen. Enkele uren na zijn aanhouding maakte hij een einde aan zijn leven door ophanging. De zaak roept fundamentele vragen op over het handelen van politie en justitie en over de bescherming van mensen in hechtenis.

Aanhouding na extreem geweld
De verdachte werd aangehouden nadat de politie hem had opgespoord. Volgens de politie verzette hij zich hevig bij zijn arrestatie en had hij een steekwapen bij zich. Agenten schoten de man in beide benen om hem onder controle te krijgen. Na medische behandeling in het ziekenhuis werd hij overgebracht naar een politiecel.

In verklaringen van politie en media werd de verdachte omschreven als “psychisch ontspoord”. Juist die kwalificatie maakt de latere gebeurtenissen extra gevoelig.

Overlijden in de cel

Enkele uren na zijn insluiting werd de man dood aangetroffen in zijn cel. Hij had zichzelf opgehangen. Het overlijden heeft geleid tot scherpe kritiek op de wijze waarop de vrijheidsbeneming is verlopen.

Volgens deskundigen en internationale richtlijnen mag iemand die zich in een acute psychische crisis bevindt niet zomaar in een politiecel worden opgesloten. In zulke gevallen is een grondige psychiatrische beoordeling nodig, gevolgd door intensieve observatie of plaatsing in een gespecialiseerde zorgomgeving.

Het is onduidelijk welke medische of psychiatrische deskundigen bij de beslissing tot insluiting zijn geraadpleegd en welke risico-inschatting is gemaakt.

Zorgplicht van de overheid
Internationale mensenrechtennormen, waaronder vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verplichten staten om het leven van mensen in detentie actief te beschermen. Die verplichting geldt in het bijzonder wanneer er aanwijzingen zijn voor suïciderisico.

Dat de verdachte desondanks zonder voortdurende observatie in een politiecel terechtkwam, wijst volgens critici op ernstige nalatigheid. De vraag is niet alleen of er fouten zijn gemaakt, maar ook of de bestaande procedures wel toereikend zijn.

Rol van het Openbaar Ministerie
Ook het Openbaar Ministerie (OM) ligt onder vuur. Het OM is verantwoordelijk voor het toezicht op de rechtmatigheid en zorgvuldigheid van vrijheidsbeneming. Als er geen overleg heeft plaatsgevonden, is dat problematisch. Als er wél overleg was maar verkeerde beslissingen zijn genomen, is dat evenzeer onacceptabel.

In beide gevallen rijst de vraag of het toezicht en de verantwoordelijkheidsverdeling binnen het strafrechtelijk systeem voldoende functioneren.

Schending van privacy en waardigheid
Naast de gang van zaken rond het overlijden is er ook grote verontwaardiging over het verspreiden van foto’s. Beelden van de vier vermoorde kinderen, hun vader en zelfs van de overleden verdachte circuleerden ongefilterd op sociale media.

Volgens juristen en mensenrechtenorganisaties is dit niet alleen moreel verwerpelijk, maar mogelijk ook in strijd met fundamentele rechten, zoals het recht op privacy en menselijke waardigheid. Het verspreiden van dergelijke beelden veroorzaakt extra leed bij nabestaanden en roept de vraag op wie toestemming heeft gegeven voor publicatie.

Meer dan losse fouten

Volgens critici gaat het hier niet om een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar om structureel falen binnen het systeem. Wanneer onderzoek naar zulke zaken niet onafhankelijk, zorgvuldig en met voldoende afstand wordt uitgevoerd, blijft echte hervorming uit.

Dit lijkt geen incident van losse fouten, maar een aanwijzing voor systeemtekorten die dwingend onderzoek en corrigerende maatregelen vereisen.

De roep om een diepgaand en onafhankelijk onderzoek wordt dan ook steeds luider. Het is daarom wenselijk dat het parlement, het Openbaar Ministerie en betrokken ketenpartners zich ten volle inzetten voor:
- een onafhankelijk, openbaar en daadkrachtig onderzoek naar de besluitvorming rond zorg, bewaking en insluiting;
- transparantie over wie toegang had tot en verantwoordelijk was voor het vrijgeven van beeldmateriaal;
- een onmiddellijke toetsing en herziening van protocollen rond medische evaluatie en suïcidepreventie in detentie;
- media-ethische richtlijnen en handhaving ten aanzien van beeldpublicatie van slachtoffers en gevoelige procesinformatie.

Zolang deze vragen onbeantwoord blijven, blijft niet alleen het handelen rond deze zaak discutabel, maar staat ook het vertrouwen in politietoezicht en de rechtsstaat op het spel.

R. Boldewijn