Kindermishandeling, angst, psychiatrie
15 Sep, 04:44
foto


Aangeboden

Dit artikel is een oproep om alle kinderen te beschermen. Het is geschreven als afscheidsbrief van een zus aan haar broer.

Lieve Soerish,
Het spijt mij zó, dat ik niets voor jou kon doen toen mama je meenam naar de kamer en je zo’n verschrikkelijke aframmeling gaf dat dit je hele leven beïnvloedde. En verziekte, maar daar kwam ik pas later achter. Wat wist ik toen nog? Ik was ongeveer 6 ½ en jij pas 3 of net 4. Je was papa’s lieveling, broer Kris en ik droegen jou rond en je werd vertroeteld als een kleine knuffel. Misschien daardoor ontwikkelde je de gewoonte om steeds je zin te willen. Als je die niet kreeg, rolde je huilend op de grond.

Mama beantwoordde dit gedrag soms met een brandende lucifer tegen jouw huid. De dag waarop ze jou naar de kamer sleurde, was ergens in mijn geheugen weggestopt. En nu je ons hebt verlaten, komen de herinneringen naar boven. Waarom? Toen de kamer dicht ging, hoorde ik mama tegen je schreeuwen. En jij riep vier tot vijf keer “naa!” (nee), “naa!”. Toen gebeurde er iets en je gilde het uit. Steeds opnieuw gilde je keihard. Ik weet dat dat van heel erge pijn was. Kris was vijf en toen hij jou zo hoorde, rende hij van het erf naar binnen en vroeg mij wat er met jou was gebeurd. Ik durfde niet eens mijn hoofd te draaien om naar de kamerdeur te kijken. Maar Kris stapte snel naar de kamer. Die was op slot en hij riep en bonkte op de deur. De hele tijd was jij aan het gillen en mama aan het schreeuwen op een dreigende toon. Ik hoorde ongeveer drie keer iets vallen op de houten vloer. Ik hoop niet dat jij daar viel, dat ze jou had opgetild en op de grond gegooid.

Eindelijk ging de deur open en mama vroeg schreeuwend aan Kris wat hij wilde. Ik hoorde hem zeggen dat ze jou niet moest slaan. Misschien heeft hij toen jouw leven gered, hé? Mama vroeg of hij ook wat wilde en toen hoorde ik allerlei gestommel in de kamer. Toen hij naar buiten kwam, was zijn blik een van vernedering en verdriet. Heeft Kris toen die tic opgelopen? Hij schudde daarna jaren onwillekeurig met zijn hoofd en blies zonder aanleiding op zijn vingers.
Toen jij eindelijk uit de kamer vrij werd gelaten, liep je naar mij toe en zei: “mayya maris hai” (mama heeft me geslagen). Je blik van toen zegt me dat je in de hel was geweest. Je liep naar buiten en stond achter het huis lang te huilen.
Die dag heeft iets met jou gedaan. Op een dag schreeuwde de juffrouw op school tegen jou en je plaste meteen in je broek. Een dag vroeg ze aan mama waarom jij zo bang was. Ze vroeg of er iets met jou gebeurd was. Mama zei: “Ik weet niet”.

Toen je een andere keer thuis begon te huilen, deed mama een lucifer aan en vroeg of je dit weer wilde. Je rilde en werd direct stil. Daarna heb ik je als kind nooit meer zien huilen. Behalve die ene dag toen we met ons drieën op bed sprongen en jij viel, met een gebroken arm als gevolg. En mama? Zij vertelde mij later vaak, hoe lelijk ze jou had gevonden toen de zuster (of vroedvrouw) jou bij haar had gebracht na de bevalling. Ze vond jouw lippen dik en je huilde met zo’n grote mond. Ze gaf je bijnamen, eerst Hanuman en later lelijke Surinaamse namen van monsters. Je hebt nooit geleerd om voor jezelf op te komen en als er iets was, ging je stil op bed liggen in je kamer. Mama klaagde vaak over jou en liet ons geloven dat je een slechterik was. Maar toen ze me zei dat ik je niet moest groeten als je naar huis kwam, heb ik dat toch gedaan. Toen ze mij achteraf vroeg waarom, zei ik dat je mijn broer was. Je was toen 30.
Nee, huilen heb je niet meer gedaan, tot je als zwaar zieke psychiatrische patiënt in het ziekenhuis aan je polsen en enkels was vastgebonden. Toen je mij zag, stroomden de tranen vrijelijk. En toen ik je laatst bezocht, riep je, weer “gefixeerd”: “bitia” (dochter) en er sijpelde een traan langs je wang.

De behandelaars zagen bij verwardheid altijd ook een lichamelijk probleem. Na lang onderzoek zei de psychiater van het ziekenhuis mij, dat het van angst zal zijn. Met de nodige medicijnen en vooral veel praten kon je in de afgelopen jaren genoeg herstellen om thuis te kunnen wonen. Maar in december vond de politie jou zonder jas op straat in de kou. Twee dagen voor jouw overlijden zei de zuster van de inrichting mij, dat delier ook van vergiftiging kan komen. Dat zal zijn geweest van zoveel medicijnen die jij in 26 jaar van je leven moest slikken. Toen de psychiater vond dat je droevig keek, kreeg je een middel tegen stemmingswisselingen. Daarvan kreeg je veel schilfers op je handen en onderbenen. Toen gaf de dermatoloog je capsules waarvan al je vingernagels uitvielen, tot bloedens toe. Je besloot uiteindelijk zelf met die capsules te stoppen. Maar de medicijnen van de psychiater was je verplicht te slikken, om niet gedwongen opgenomen te worden. Je zei me vaker dat je vergiftigd werd en we waren met de arts al goed op weg om te minderen. Alleen, in tijden van opname werd je bij ernstige verwardheid gesepareerd en je kwam er iedere keer met longontsteking uit. Daartegen kreeg je steeds antibiotica.

Ik heb jouw ellende aangezien en alleen de hoop op betere tijden heeft mij dit laten volhouden. Je zou op 15 september 57 worden. Nu weet ik niet welk aards genot mij zal laten vergeten hoe jij hebt geleden. Het enige wat ik kan doen, is jou overgeven aan God, onze allerhoogste Vader en Moeder, in vertrouwen dat Hij jou met alle liefde zal omringen.
Soer, mijn broertje, de tijd kan ik niet terugdraaien. Maar mijn mooiste en liefste wensen zijn voor altijd bij jou.

Je sussie Shaan

Uit privacy redenen en de gevoeligheid van het onderwerp is de naam van de inzender niet vermeld.

Advertenties