Amnestiewet brengt Brazilië geen rust
07 Apr 2012, 17:15
foto


Pas toen Victória Lavínia (67) haar moeder enkele jaren geleden begroef, lukte het haar het idee los te laten dat haar vader, haar broer en haar echtgenoot mogelijk nog in leven waren. Haar vader was Maurício Grabois, oprichter van de Communistische Partij van Brazilië (CPB). Dood waren Lavínia’s familieleden al sinds 1973, vermoord door militairen tijdens de Braziliaanse dictatuur (1964-1985). Maar hun lichamen zijn nooit gevonden.

De vraag hoe de drie mannen aan hun einde zijn gekomen houdt haar nog altijd bezig. „Justitie dient dat uit te zoeken. Het is een schande dat dit land een amnestiewet heeft die juntaleden vrijwaart van vervolging”, zegt Lavínia.

Discussie opgelaaid
De Braziliaanse amnestiewet uit 1979 staat hier dezer dagen volop ter discussie. Openbare aanklagers uit verschillende delen van Brazilië proberen de controversiële wet te omzeilen en verantwoordelijken voor mensenrechtenschendingen tijdens de militaire dictatuur alsnog te vervolgen. In São Paulo kondigt het OM aan dat het deze maand een nieuwe zaak bij de rechter aanbrengt. Daarin staat de verdwijning van 24 linkse militanten in São Paulo centraal. Begin jaren zeventig werden zij gearresteerd door het leger. Daarna is er nooit meer iets van hen vernomen.

Vorige maand stelde het OM de voormalige majoor Sebastião Curió in staat van beschuldiging voor de verdwijning van vijf guerrillero’s tijdens de Guerrilla van Araguaia in de Amazone-deelstaat Pará, eveneens begin jaren zeventig. De rechter heeft de zaak tegen Curió afgewezen, maar het OM is daartegen in beroep gegaan.

Berechting
De Guerrilla van Araguaia verwijst naar de poging van een groep van zo’n tachtig activisten van de Communistische Partij van Brazilië (CPB) om in Pará een boerenopstand van de grond te krijgen tegen het militaire regime. Lavínia’s vader was een van de leiders van de beweging.
„Het feit dat hun lichamen nooit zijn gevonden, maakte het accepteren van hun overlijden zo lang lastig, ook al stond destijds in de kranten dat ze waren omgekomen”, zegt Lavínia, in een kantoortje van mensenrechtenorganisatie ‘Nooit meer martelen’ in Rio de Janeiro.

„Het is een positieve ontwikkeling dat het OM probeert de militairen voor de rechter te krijgen”, zegt Lavínia. In de kamer waar zij haar gast ontvangt, hangen meer dan 130 vergrote zwart-wit pasfoto’s aan de muur. Gezichten van mannen en vrouwen uit een ander tijdperk. Linkse idealisten en guerrillero’s. Allen vermisten van de dictatuur. In totaal kwamen tussen 1964 en 1985, inclusief de vermisten, 475 tegenstanders van de militairen om.
„Kijk, dit was mijn vader”, zegt Lavínia, terwijl zij naar een foto van een serieus kijkende man met een dun snorretje wijst. Hij was 61 jaar toen hij om het leven kwam.

Buiten bereik van amnestie
In de dossiers van de openbare aanklagers draait het om verdwijningen tijdens de dictatuur. Zij behandelen de zaken van de vermiste personen als gevallen van ‘voort durende gijzeling’. Een dergelijk delict zou buiten het bereik vallen van de amnestiewet, die oud-militairen tegen vervolging voor misdaden uit de jaren van de dictatuur beschermt.

„Stel dat het lukt om op deze basis daders veroordeeld te krijgen, dan zijn er nog zo’n honderd andere dossiers van vermiste personen die voor de rechter kunnen worden gebracht”, zegt Lavínia. Brazilië kan als land, vindt zij, dergelijke misdaden tegen de menselijkheid niet onbestraft laten.
Veel van de vermisten verdwenen tijdens de Guerrilla van Araguaia. Tussen 1972 en 1974 lanceerde het regime drie operaties in Pará. Daarbij waren 5.000 militairen betrokken. Slechts enkele communistische opstandelingen overleefden. Van 62 guerrillero’s zijn de lichamen nooit gevonden.

In strijd
Het Araguaia-dossier kwam in december 2010 internationaal onder de aandacht na een historische uitspraak van het Inter-Amerikaanse Hof voor de Mensenrechten. Het hof hield de Braziliaanse staat verantwoordelijk voor de verdwijning van de 62 militanten. Bovendien bepaalde het hof dat de amnestiewet in strijd was met het Amerikaanse Verdrag van de Mensenrechten, dat ondertekend is door Brazilië.

Deze zaak was door de Braziliaanse tak van het Centrum voor gerechtigheid en internationaal recht (CEJIL) aangebracht bij het Inter-Amerikaanse Hof. Sinds de uitspraak van het mensenrechtenhof heeft de Braziliaanse overheid echter geen juridische stappen ondernomen tegen de verantwoordelijken voor de verdwijningen, zo constateert Beatriz Affonso, directeur van CEJIL Brazilië.
Zij zegt: „De stappen van het OM zijn positief, maar die zijn zonder de regering tot stand gekomen. De regering verschuilt zich nog steeds achter de amnestiewet, ook al is die in strijd met de Amerikaanse Conventie van de Mensenrechten.”

Aanhangers van de amnestiewet zeggen dat Brazilië een soepele overgang naar de democratie heeft kunnen maken door die regeling. In plaats van energie verspillen aan het vereffenen van oude rekeningen, kon het land zich richten op de toekomst.
Veel politici die tijdens de dictatuur actief waren, zijn nu nog steeds invloedrijk. In het parlement, of in de deelstaten waar ze vandaan komen. Zij houden volgens Affonso een mogelijke afschaffing of aanpassing van de amnestiewet tegen. „President Rousseff is als voormalige linkse militant zelf gemarteld door de militairen. Maar zij moet ook haar coalitie, met veel conservatieve leden, tevreden houden. En dat is triest. Gelukkig zijn er moedige aanklagers in ons land die wel proberen militaire mensenrechtenschenders ter verantwoording te roepen.”

(Uit NRC Handelsblad)
Advertenties

Sunday 25 October
Saturday 24 October
Friday 23 October