Bevel stopzetting verdere vervolging 8 Decemberstrafproces
13 May, 17:36
foto


In het binnenkort (enigszins verlaat) te verschijnen eerste nummer van het SJB van 2018 heeft Dr. Ir. Viren. S. Ajodhia een belangwekkend artikel geschreven over het veel besproken artikel 148 GW (Grondwet). Dit artikel geeft de regering de bevoegdheid om in het belang van de staatsveiligheid in concrete gevallen aan de Procureur-generaal bevelen te geven met betrekking tot de vervolging.

door: Carlo Jadnanansing

Het zal velen bevreemden dat iemand die bekend staat als energiedeskundige zich aan het schrijven van een dergelijk juridisch-technisch artikel heeft gewaagd. Viren Ajodhia heeft echter besloten ook de rechtenstudie te volgen aan de AdeKUS en heeft inmiddels zijn bachelorgraad behaald en volgt thans de mastersopleiding.
Het door hem geschreven artikel is gebaseerd op zijn bachelorthesis. Deze handelt over het injunctierecht. Dit recht houdt in dat de regering bevoegd is om in een vervolging door het OM (Openbaar Ministerie) in te grijpen. De term injunctierecht is (nog) geen gemeengoed in het Surinaamse en Nederlandse recht.

Veel Surinaamse juristen zullen waarschijnlijk voor het eerst met dit begrip worden geconfronteerd, ofschoon de materie zelf uiteraard wel bekend is. De term injunctierecht is uit het Belgische recht overgewaaid naar Nederland en dus ook naar Suriname. De auteur maakt een onderscheid tussen het algemeen injunctierecht en het individueel injunctierecht. Het algemeen injunctierecht houdt in dat de regering aan het OM instructies mag geven met betrekking tot de uitvoering van het algemeen vervolgingsbeleid. Deze instructies kunnen zijn om ernstige delicten altijd te vervolgen en bijvoorbeeld het stelen van vruchten niet. Het belangrijkste kenmerk voor het algemeen injunctierecht is dat de instructies gelden voor alle burgers op gelijke voet.

Bij het individueel (persoonlijk zou ik de voorkeur geven aan de term bijzonder of specifiek) injunctierecht gaat het om instructies aan het OM met betrekking tot een concreet geval. Deze instructies kunnen zijn om een bepaalde persoon te vervolgen waar het OM stilzit of om niet (verder) te vervolgen. Het is duidelijk dat een dergelijk bevel aan het OM diep ingrijpt in zijn functioneren. Immers het OM wordt door de regering teruggefloten, terwijl het de bedoeling van de wetgever is om het OM de vervolgingsmonopolie te verlenen.

Leidt injunctie tot inmenging?
Binnen de Surinaamse Trias Politica is het OM met uitsluiting van elk ander orgaan belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Dit is gebaseerd op art. 145 GW. Inmenging hierbij is grondwettelijk verboden (art 131 lid 3 GW). Het merkwaardige is dat dezelfde grondwet middels art. 148 GW de regering wel de mogelijkheid biedt zich met het vervolgingsbeleid te bemoeien. De artikelen 131 en 148 lijken tegenstrijdig met elkaar. In het recht kent men echter het beginsel dat de speciale wet de algemene wet te boven gaat, ruim uitgelegd betekent dit dat bij strijd van wettelijke bepalingen de bijzondere bepaling moet worden toegepast. De ruime uitleg is nodig omdat het in casu om dezelfde wet gaat, namelijk de Grondwet. De bepaling van art. 148 GW moet dus in dit licht gezien worden als een speciale bepaling en wel in het belang van de staatsveiligheid. Dit betekent dat een dergelijk bevel rechtsgeldig gegeven kan worden door de regering.
De vraag die rijst is wat bedoeld wordt met vervolging. Valt onder dit begrip ook verdere vervolging? Dit is van belang omdat de vervolging reeds was ingesteld en het proces reeds gaande was.

Mr. Dr. Gaetano Best heeft in een artikel in het SJB zich op het standpunt gesteld dat de GW slechts spreekt over vervolging en niet over verdere vervolging, zodat reeds op deze grond art. 148 niet toepasselijk zou moeten zijn. Ajodhia is echter van mening dat er wel argumenten voor te vinden zijn dat ook verdere vervolging valt onder het begrip vervolging. Hij komt dan ook tot de conclusie dat art. 148 de regering vergaande bevoegdheden geeft inzake de vervolging.

Beperkingen op het injunctierecht
Ajodhia is van menig dat injunctie nooit tot gevolg mag hebben dat de officier van justitie in strijd met de wet handelt. Verder is naar zijn mening, injunctie ook niet mogelijk indien het OM handelt ter uitvoering van een rechterlijk bevel zoals het geval is bij een artikel 4 Sv procedure, waarbij het Hof van Justitie van Suriname het OM gelast om een vervolging in te stellen tegen een of meer bepaalde personen.

De auteur wijst erop dat een andere beperking op het injunctierecht het gelijkheidsbeginsel is. Er is echter geen sprake van schending van dit beginsel indien het algemene belang de toepassing van het injunctierecht vereist. Gevaar van de staatsveiligheid is gebaseerd op het algemeen belang.
Daarnaast dient het bevel gegeven te worden door de regering, dat wil zeggen de president, vicepresident en de raad van ministers gezamenlijk, in casu is dit overigens ook gebeurd en wel unaniem!

De gedachte die aan de beperkingen ten grondslag ligt is dat de regering in beginsel zich niet met individuele strafzaken moet bemoeien. De auteur is wel van mening dat de regering zelf mag vaststellen of de staatsveiligheid in gevaar is. Dit laatste zou uitgelegd kunnen worden als een inbreuk op de Trias Politica gedachte, daar de balans doorslaat naar de richting van de regering, terwijl in de rechtsstaat er juist evenwicht moet bestaan tussen de drie machten. Anders dan in verscheidene landen die ook een injunctierecht kennen, is in Suriname de medewerking van het parlement niet nodig ter toetsing van het injunctiebevel.

Toepassing van art 148 GW lijdt schipbreuk
De auteur merkt op dat de vergaande bevoegdheden die art. 148 GW de regering biedt niet voldoende waren om het Decemberstrafproces een halt toe te roepen. De toepassing van het voormeld artikel werd naar zijn mening in dit geval beperkt op twee wijzen:
In de eerste plaats was het proces in gang gezet conform de hiervoor genoemde art. 4 Sv procedure. Op verzoek van de nabestaanden had het Hof het OM het bevel gegeven om te vervolgen. Dit rechterlijk bevel moet gezien worden als de bijzondere bepaling die prevaleert boven het ambtelijk bevel dat door de regering ex art.148 is gegeven.
Ten tweede merkt de auteur op dat binnen de rechtsstaat elk orgaan slechts de bevoegdheden bezit die hem zijn toegekend . Dit beginsel staat bekend als het specialiteitsbeginsel. De bevoegdheid van het OM om een zaak te seponeren (niet (verder) vervolgen) eindigt op het moment dat de zaak ter terechtzitting is uitgeroepen.

Tot slot vraagt de auteur zich af waarom het OM zich niet onbevoegd verklaard heeft om het regeringsbevel uit te voeren. Hij merkt op dat politieke motieven een rol gespeeld kunnen hebben aangezien de sfeer rondom het proces in die tijd zeer gespannen was en gevreesd werd voor calamiteiten.
Een andere reden zou kunnen zijn dat het OM verwachtte dat het verzoek tot beëindiging van het proces toch door de rechter zou worden afgewezen.

Mijn verwachting is dat het artikel van Ajodhia ook buiten onze landsgrenzen de aandacht zal trekken omdat het een onderwerp betreft waarbij het functioneren van de rechtsstaat in het algemeen in het geding is. Een advies aan de auteur is om te overwegen een Engelse versie van het artikel uit te brengen en deze aan een of meer internationale juridische tijdschriften ter publicatie aan te bieden.
Voor de volledige tekst van het artikel wordt verwezen naar het SJB 2018 nr.1.