Vandaag in het verleden
25 Feb 2010, 00:03
foto


De wekker gaat een kwartier lang af voor ik me realiseer dat ik moet opstaan. Het is kwart over zes, maandag 25 februari 1980. Ik sprint naar de badkamer en in een record tempo zorg ik ervoor dat ik mijn brommer pak en op straat ben. Geen tijd om de radio aan te zetten en de mobiele telefoon met radio moet nog worden uitgevonden. Enige waar ik op dat moment aan kan denken is: ik moet het veer van zeven uur halen, want ik moet op tijd op Meerzorg zijn, waar de bus de leerkrachten opwacht om hen te vervoeren naar school. Ik werk op OS 2 Meerzorg.

Als ik bij het hoofdbureau van politie aan de Waterkant aankom, begin ik te merken dat er iets in de lucht hangt. Maar daar let ik nog niet op. Tot mijn grote vreugde zie ik dat het veer nog niet weg is. En dat terwijl het intussen al vijf over zeven is. Zoals elke werkdag, parkeer ik mijn brommer aan de voorzijde van het politiebureau, naast de dikke pilaren. “Gaat u weg van hier!”, snauwt een politieman tegen mij. Ik kijk hem verbaasd aan. ‘Wie denk je dat je bent!’, wil ik terug snauwen. Maar, ik beheers me, ik ben opvoeder en ik heb me energie nog nodig voor de hele dag.

Ik ga iets verder op, nog steeds aan de voorzijde van het bureau, mijn bromfiets parkeren. Maar ook dat valt niet in goede aarde bij de beambte in het bruin. “Hebt u me niet gehoord! Gaat u weg van hier! Snel!”.
De boodschap is aangekomen, er is iets niet pluis hier, maar veel tijd heb ik niet om me druk te maken, want ik moet het veer nog halen. Ik rij snel via de Watermolenstraat naar de Keizerstraat en parkeer mijn brommer bij de Surinaamse Post Spaarbank. Daar ben ik welkom. Daarna loop ik weer langs het politiebureau, maar voor ik over kan steken naar het veer kom ik collega’s tegen die mij vertellen dat ‘de militairen bezig zijn en dat er een militaire boot op het water patrouilleert’. Niemand weet wat er precies aan de hand is, maar het veer vaart niet. Het veer van zes is niet eens vertrokken, terwijl het al kwart over zeven is.

We staan op de hoek te praten en ineens schrikken we enorm. Een pantserwagen komt aangereden vanuit de richting van de Centrale Markt. Net als nu weer het geval is, is dat deel van de Waterkant een tweerichtingsweg in 1980. Bij het veer stopt de pantserwagen en begint te schieten op het politiebureau. Tussen dit gevaarte en het politiebureau staan honderden burgers. Iedereen rent alle kanten op. Anderen zoeken een schuilplaats achter auto’s of liggen plat op het trottoir.

Ik ren naar het winkelpand van Shyam Binda, met wie ik samen in de Paramaribo Jaycees zit. In Jingles is een broodjeswinkel en een boetiek gevestigd. In de kleine broodjeszaak willen tientallen mensen naar binnen, maar Shyam doet de deur dicht, want er kan echt niemand meer bij. Wij kijken veilig naar wat er op straat gebeurt. Iedereen praat door elkaar. “Ze schieten met losse flodders”, zeg ik aan enkele mensen in de winkel. “Het kan nooit zo zijn dat de militairen met echte kogels schieten terwijl er zoveel burgers op straat staan. Mijn woorden hebben mijn mond nauwelijks verlaten of we zien twee mannen bloedend op straat vallen.

Als de panterwagen weg is, gaan Shyam en een paar mannen naar de gewonde kijken. Hij ligt aan de Heiligenweg tegenover Jingles. Zij dragen hem de winkel binnen, over de tweede gewonde ontfermen anderen zich. Wij bellen naar de EHBO voor hulp. Terwijl er gebeld wordt, blaast de man zijn laatste adem vlak voor ons uit. En dan mist je hart een paar slagen. We kunnen onze ogen niet geloven, terwijl het vlak onder je ogen gebeurt. Intussen wordt er vanuit de militaire boot op de rivier geschoten naar het politiebureau. Iemand bedekt het bovenlichaam van de man met een kleed.

Ik heb genoeg gezien nu. Ik wil niets meer weten en wil alleen maar veilig terug naar huis. Nu ben ik wel blij dat mijn bromfiets niet bij het politiebureau staat. Met trillende benen ga ik zo snel mogelijk, naar alle kanten kijkend of ik een pantserwagen zie aankomen, naar de Surinaamse Postspaarbank. Daar staan intussen al honderden mensen die willen weten wat er aan de hand is bij het politiebureau.

Ook Iwan Krolis, voorzitter van de PALU staat bij de bank. “Er is net iemand voor mijn ogen gestorven. Ik heb genoeg gezien, ik wil niets meer weten. Gaat u ook naar huis”, adviseer ik hem. Hij blijft rustig staan en ik haal mijn brommer op en rij in een trance naar huis. Ik weet van schrik even niet wat ik moet doen wanneer ik weer een pantserwagen tegen kom. Het is de langste rit naar huis. Wanneer ik op het balkon sta van het huis waar ik op kamers woon, zie ik dikke zwarte rookwolken richting veerplein omhoog stijgen. Het politiebureau waar ik mijn brommer parkeer, staat in brand…

Nita Ramcharan
info@starnieuws.com
Advertenties

Friday 23 June
Thursday 22 June
Wednesday 21 June