De kwestie rond de Saramaccarivier laat zien waarom openbaarheid van bestuur geen bestuurlijke luxe is, maar een democratische noodzaak. Wanneer een ernstig milieu-incident plaatsvindt en gemeenschappen wordt geadviseerd geen vis te eten en rivierwater niet te gebruiken, ontstaat onmiddellijk behoefte aan betrouwbare, volledige en controleerbare informatie. Niet alleen om te weten wat er is gebeurd, maar ook om te kunnen beslissen wat mensen morgen moeten doen.

Na omvangrijke vissterfte in de bovenloop van de Saramaccarivier in juni toonde onderzoek van de Nationale Milieu Autoriteit weliswaar cyanide, kwik en verhoogde waterwaarden aan. Ook werden verhoogde waarden van andere waterkwaliteitsparameters gemeten. Een mogelijke eenmalige chemische lozing en een mogelijke relatie met goudwinningsactiviteiten behoren tot de onderzoekslijnen, maar de definitieve oorzaak en eventuele verantwoordelijke goudwinningsactiviteiten of partijen blijven vooralsnog onbekend.

Die terughoudendheid is belangrijk. Een rechtsstaat wijst geen schuldige aan voordat de feiten vaststaan. Maar dezelfde rechtsstaat mag onzekerheid ook niet gebruiken als reden om informatie slechts mondjesmaat beschikbaar te stellen. Want achter de beelden van dode vissen speelt een tweede crisis: die van bestaanszekerheid.

Voor gemeenschappen langs de rivier is water geen abstract milieudossier. De rivier levert voedsel, inkomen en transport en vormt onderdeel van het dagelijks leven. Wanneer vissen niet meer mogen worden gegeten of verkocht en rivierwater tijdelijk onbruikbaar wordt verklaard, vallen delen van een lokale economie stil.

Dat raakt vissers direct, maar de gevolgen kunnen verder reiken. Marktverkopers, transporteurs, bootexploitanten, kleine winkels, voedselverwerkers en andere micro- en kleine ondernemingen zijn onderdeel van dezelfde lokale economische keten. Voor een grote onderneming is een tijdelijke terugval misschien een tegenvaller in de jaarrekening. Voor een kleine ondernemer kan enkele weken zonder inkomsten het verschil betekenen tussen doorgaan en verdwijnen. Daarom heeft onzekerheid zelf een prijs.

Ondernemers kunnen hun activiteiten niet aanpassen aan risico's die zij niet kennen. Gezinnen kunnen geen verantwoorde keuzes maken wanneer onduidelijk is waar het water veilig is, welke stoffen zijn onderzocht en hoelang waarschuwingen blijven gelden. Geruchten vullen onvermijdelijk het vacuüm dat ontstaat wanneer officiële informatie niet snel, volledig en begrijpelijk beschikbaar komt. Openbaarheid van bestuur is daarmee ook economisch beleid.

De eerste noodzakelijke stap is daarom maximale transparantie. Alle onderzoeksdocumenten en uiteindelijk het definitieve onderzoeksrapport behoren actief openbaar te worden gemaakt, voor zover geen zwaarwegende wettelijke belangen zich daartegen verzetten. Niet alleen via losse persberichten, maar op één publiek toegankelijke plaats waar burgers, journalisten, wetenschappers en volksvertegenwoordigers de informatie kunnen volgen.

Daarnaast moet de overheid rechtstreeks met de getroffen gemeenschappen communiceren. Niet uitsluitend in Paramaribo uitleggen wat er wordt onderzocht, maar in de betrokken dorpen aangeven wat bekend is, wat nog onzeker is en wanneer nieuwe informatie wordt verwacht. Transparantie zonder toegankelijkheid is immers maar half transparant.

Een derde stap betreft directe economische ondersteuning. Wanneer de overheid uit voorzorg adviseert dat vis niet mag worden geconsumeerd of verkocht, kan zij de economische gevolgen daarvan niet volledig bij individuele gezinnen en ondernemers neerleggen. Er moet daarom snel in kaart worden gebracht welke inkomsten daadwerkelijk zijn weggevallen. Op basis daarvan kan tijdelijke inkomenssteun, noodfinanciering of andere gerichte ondersteuning worden geboden. Niet als gunst, maar als instrument om te voorkomen dat een milieucrisis uitgroeit tot langdurige armoede en bedrijfsuitval.

Daarbij moet wel onderscheid worden gemaakt tussen noodhulp en aansprakelijkheid. Zolang niet is vastgesteld wie de schade heeft veroorzaakt, kan de overheid ondersteuning organiseren zonder vooruit te lopen op schuld. Wordt later aangetoond dat een onderneming of andere actor verantwoordelijk is, dan moet het beginsel dat de vervuiler betaalt daadwerkelijk betekenis krijgen. Kosten van herstel, aantoonbaar inkomensverlies en noodzakelijke milieumaatregelen mogen dan niet uiteindelijk bij de getroffen gemeenschap of de belastingbetaler blijven liggen. Maar alleen schade vergoeden is niet genoeg.

De gebeurtenissen leggen ook bloot hoe kwetsbaar lokale economieën zijn wanneer inkomen sterk samenhangt met één natuurlijke hulpbron. Daarom is een bredere ontwikkelingsagenda nodig: ondersteuning van lokale voedselverwerking, duurzame landbouw, ondernemerschap, kleinschalig toerisme, toegang tot financiering en andere verdienmodellen die gemeenschappen economisch weerbaarder maken.

Ten slotte moet Suriname vaart maken met een moderne wettelijke regeling voor toegang tot bestuursinformatie. Openbaarheid mag bij een volgende crisis niet afhankelijk zijn van politieke bereidheid of bestuurlijke gewoonte. Burgers moeten weten welke informatie zij kunnen krijgen, binnen welke termijn en wat zij kunnen doen wanneer informatie ten onrechte wordt geweigerd.

De Saramaccarivier heeft daarmee iets zichtbaar gemaakt dat verder reikt dan waterkwaliteit. Een samenleving kan niet verlangen dat burgers vertrouwen hebben in instituties als zij onvoldoende kunnen controleren wat die instituties weten en doen. Het water mag troebel zijn. Het bestuur hoeft dat niet te zijn.

Vincent Roep