Het Hof van Justitie van Suriname trekt hard aan de alarmbel bij de Nationale Assemblée (DNA). Aanleiding zijn de voornemens voor hernieuwde amendementen op de ingediende initiatiefvoorstellen om de grondwet, wet Rechtspositie Rechterlijke Macht en het Reglement op de Inrichting en de Samenstelling van de Rechterlijke Macht (RIS) te wijzigen. In een brief van 11 augustus aan DNA-voorzitter Ashwin Adhin — ondertekend door alle rechters — spreekt het hof van een "verzwakking van de constitutionele positie van de rechterlijke macht".

Hoewel de initiatiefnemers in hun voorgenomen wijzigingsvoorstellen van begin augustus spreken van een “versterking van de rechterlijke organisatie”, weerspreekt het hof dat krachtig. Er is sprake van tegenstrijdigheden, noodzakelijke waarborgen ontbreken en bestaande institutionele zekerheden worden afgezwakt. Het hof stelt helder: “Een grondwetswijziging behoort de onafhankelijkheid, deskundigheid en kwaliteit van de rechterlijke macht duurzaam te versterken. Het voorliggende voorstel bereikt dat niet.”

De noodzakelijke samenhang tussen de grondwet en de uitvoeringswetgeving (RIS) ontbreekt. Dit zal de praktische uitvoerbaarheid ernstig bemoeilijken en vertragen. Het gaat hierbij niet slechts om verschillen van inzicht over afzonderlijke wetsvoorstellen of beleidskeuzes. Maar om vraagstukken die naar het oordeel van het hof rechtstreeks raken aan de constitutionele positie en de daadwerkelijke onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.

Hof niet tegen verandering
In het schrijven blikt het hof terug op het traject van consultaties, het congres en de schriftelijke correspondentie over en weer. Het hof benadrukt dat het tot nu toe altijd heeft ingezet op dialoog en oplossingen in plaats van confrontatie. Zo haalt het hof ook eigen voorstellen aan, van aanpassingen van de grondwet en de wet Rechtspositie Rechterlijke Macht waarover eerder overleg is geweest met president Jennifer Simons. 

Een passage uit de brief van het Hof van Justitie aan assembléevoorzitter Adhin

Het hof wil de weg van overleg blijven volgen, maar waarschuwt dat alle losse maatregelen samen een gevaarlijke optelsom vormen. De rechters benadrukken dat zij niet principieel tegen hervormingen zijn, maar trekken een duidelijke grens: “Wij verzetten ons niet tegen verandering, maar wel tegen een ontwikkeling waarbij de constitutionele positie van de rechterlijke macht, en daarmee van de rechtsstaat wordt verzwakt.” Als de voorgestelde wijzigingen toch worden doorgezet, neemt het hof passende maatregelen “in het belang van de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht”. 

Geen versterking maar verzwakking OM 
Het hof springt ook in de bres voor het Openbaar Ministerie (OM). De indieners blijven sleutelen met ingrepen. Het pad van ‘College van Procureurs-generaal’ (PG) is verruild voor de instelling van een ‘College van Bestuur’. Dat zal bestaan uit de PG en twee tot vier advocaten-generaal (AG). Het hof wordt bij de voordracht van de AG’s, hun benoeming en ontslag echter volledig buitenspel gezet.

Het OM stelde zelf voor om zijn huidige Management Team om te zetten in een Raad voor het OM. Hierin zitten dan verschillende functionarissen met eigen portefeuilles en verantwoordelijkheden. Het voorstel is terzijde gelegd. Eveneens is het voorstel van het hof voor een roulatiesysteem voor de bestuursfuncties waarbij de hofpresident en PG niet meer voor het leven maar voor zeven jaar worden benoemd - door de indieners geschrapt. De indieners willen slechts de PG voor ten hoogste zeven jaar benoemen. Om politieke bemoeienis te voorkomen, stelde het hof voor om de AG’s wél voor het leven te benoemen ná advies van het hof — internationaal een belangrijke check and balance.

Daarnaast roept het verlagen van de pensioenleeftijd naar 60 jaar voor OM-leden en 65 jaar voor de PG grote vragen op. Het hof begrijpt niet waarom deze grens alleen voor de vervolgers wordt verlaagd en niet voor de rechters. Immers vormen beide groepen samen de rechterlijke macht.

Cassatierechtspraak en rechtspositie 

Een ander belangrijk pijnpunt is het negeren van de eigen expertise van de rechters. “Zorgvuldig met deskundigen uitgewerkte voorstellen zijn zonder enig inhoudelijk overleg terzijde gelegd”, aldus het hof. Zo is de wens voor meervoudige kamers in eerste aanleg middels een rechtbank niet wettelijk verankerd, waardoor noodzakelijke specialisatie van rechters uitblijft.

Bij de invoering van cassatierechtspraak ontbreken bovendien overgangsregels, wat direct leidt tot rechtsonzekerheid voor burgers met een lopende zaak. Ook is de cassatie in het belang van de wet geschrapt. Tegelijkertijd verwateren de benoemingseisen voor de hoogste instantie: de vereiste tien jaar ervaring als rechter vervalt, evenals de benoeming voor het leven. De indieners volstaan met slechts een leeftijd van 40 jaar als jurist als benoemingsvereiste voor rechters in de derde instantie. Tot slot worden opgebouwde en verworven financiële rechten en aanspraken van zittende en gepensioneerde rechters geschrapt.

Het hof benadrukt te vertrouwen op de missie van de volksvertegenwoordiging. “Wij vertrouwen erop dat de bescherming van de democratische rechtsstaat en de versterking van de constitutionele positie van de rechterlijke macht ook behoren tot de missie van Uw Parlement als hoogste orgaan van Staat.” 

Afschriften van de brief van het hof tevens verstuurd naar de president, de justitieminister, beroepsverenigingen van advocaten, notarissen, deurwaarders en griffiers en de bond van griffie personeel.