De achter gesloten deuren gehouden vergadering van De Nationale Assemblee over de verdwijning van kwik uit politiepost Geyersvlijt heeft een principiële discussie losgemaakt over de grenzen van parlementaire geheimhouding. Meerdere Assembleeleden die aan het comité-generaal deelnamen, verklaren dat over het behandelde onderwerp geen informatie is verstrekt die niet al eerder openbaar bekend was. Daarmee komt niet alleen de noodzaak van deze besloten vergadering, maar ook het gebruik van het comité-generaal als uitzonderlijk parlementair instrument nadrukkelijk ter discussie.

De regering had juist aangedrongen op behandeling in comité-generaal met als argument dat gevoelige informatie niet in een openbare vergadering kon worden besproken. Verschillende fracties gaven vooraf aan dat tijdens de besloten vergadering zou worden beoordeeld of geheimhouding daadwerkelijk noodzakelijk was. Als zou blijken dat de informatie zich niet leende voor een besloten behandeling, kon de vergadering alsnog in het openbaar worden voortgezet. Dat gebeurde echter niet.

Tijdens het comité-generaal kwam uiteindelijk alleen de verdwijning van het kwik uit politiepost Geyersvlijt aan de orde. De overige geagendeerde onderwerpen – de vissterfte, de verdwenen vier kilogram goud van Grassalco en de Anti Corruptie Unit – werden niet behandeld, omdat de vergadering na een schorsing werd verdaagd.

Geen nieuws
Volgens meerdere bronnen, een beeld dat wordt ondersteund door verklaringen van aanwezige Assembleeleden, zijn tijdens de behandeling van de kwikkwestie geen namen van verdachten of betrokken politiefunctionarissen genoemd. Evenmin werd melding gemaakt van aangehouden politieambtenaren. De enige aanvullende informatie zou zijn geweest dat de Guyanese verdachte die het kwik Suriname had binnengesmokkeld slechts met zijn initiaal werd aangeduid. Die smokkelzaak was bovendien al afgehandeld. Het kwik was destijds bij politiepost Burnside in Coronie in beslag genomen en de buitenlandse verdachte had de zaak buiten proces geschikt. Het comité-generaal ging niet over die smokkelzaak, maar uitsluitend over de latere verdwijning van het in beslag genomen kwik uit de politiepost.

NDP-parlementariër Ebu Jones verliet uit protest de vergadering nadat volgens hem bleek dat geen informatie werd verstrekt die geheimhouding rechtvaardigde. Naar zijn oordeel werd geen informatie gedeeld die de staatsveiligheid of een ander zwaarwegend belang in gevaar zou brengen als die openbaar zou worden besproken. Ook NPS-fractieleider Jerrel Pawiroredjo verklaarde desgevraagd tegenover Starnieuws dat hij tijdens het comité-generaal niets heeft gehoord dat minister Harish Monorath niet al eerder in het openbaar had verteld.

Lezing Parmessar
Daar tegenover staat NDP-fractieleider Rabin Parmessar, die tegenover Radio ABC een andere beoordeling gaf van het comité-generaal. Hoewel hij vanwege de geheimhoudingsplicht niet op de inhoud van de vergadering wilde ingaan, stelde hij dat de minister van Justitie en Politie wel degelijk informatie heeft verstrekt die in een openbare vergadering niet had kunnen worden gedeeld.

Volgens Parmessar ging het om "zeer dringende veiligheidsaspecten" en om informatie die te maken heeft met lopende onderzoeken. Hij benadrukte dat de minister in een openbare vergadering "over een aantal zaken niet zou hebben kunnen uitweiden", terwijl Assembleeleden in een besloten vergadering kritische vragen konden stellen die in het openbaar niet aan de orde zouden zijn gekomen. Daarbij verwees hij naar de noodzaak om onderzoeken van het Openbaar Ministerie niet te doorkruisen. "Wanneer zaken in onderzoek zijn, kan men om praktische en strategische redenen niet over alle aspecten gedetailleerd ingaan. Anders gaat het onderzoek stagneren."

Tegelijkertijd erkende Parmessar dat "velen niet tevreden zullen zijn" over het verloop van het comité-generaal. De vergadering werd bovendien verdaagd nadat slechts één van de vier geagendeerde onderwerpen volledig was behandeld. Op de vraag of hij was geschrokken van de informatie die de minister had verstrekt, wilde hij geen inhoudelijk antwoord geven. Ook op vragen of tijdens de vergadering namen van invloedrijke personen of politici waren genoemd, ging hij niet in. Hij beriep zich daarbij op de geheimhoudingsplicht die geldt voor een comité-generaal.

VHP verbindt consequenties 
VHP-fractieleider Asiskumar Gajadien stelt dat openbaarheid geen gunst is, maar een fundamenteel democratisch beginsel. De samenleving heeft volgens hem het recht te weten hoe haar volksvertegenwoordigers de regering controleren en hoe verantwoording wordt afgelegd over vraagstukken die het algemeen belang raken.

De VHP-fractie heeft daarom deelgenomen aan het comité-generaal van 9 juli, dat door de voorzitter van De Nationale Assemblee op verzoek van de regering werd uitgeschreven. Daarbij mocht volgens Gajadien worden verwacht dat sprake zou zijn van zwaarwegende omstandigheden die een besloten behandeling noodzakelijk maakten. "De praktijk heeft echter anders uitgewezen", stelt hij. "Slechts één van de geagendeerde onderwerpen is behandeld en tijdens die behandeling is geen informatie verstrekt die het besloten karakter van een comité-generaal rechtvaardigde. Integendeel, de verstrekte informatie had zonder bezwaar in een openbare vergadering kunnen worden behandeld."

Volgens Gajadien ontbrak vervolgens ook de bereidheid om, nadat was gebleken dat de noodzaak voor geheimhouding ontbrak, de besloten behandeling op te heffen en de vergadering, dan wel het behandelde agendapunt, alsnog openbaar voort te zetten. "Daarmee is een belangrijke kans gemist om invulling te geven aan de beginselen van transparantie, openbaarheid en publieke verantwoording."

De VHP-fractieleider verbindt daaraan een principiële conclusie. Hij kondigt aan voortaan geen medewerking meer te zullen verlenen aan een comité-generaal, tenzij vooraf overtuigend wordt aangetoond dat een besloten behandeling vanwege zwaarwegende wettelijke belangen daadwerkelijk noodzakelijk is. "Een comité-generaal mag nooit het uitgangspunt zijn; het is een uitzonderlijk parlementair instrument dat uitsluitend in uitzonderlijke omstandigheden behoort te worden toegepast."

Fundamentele vraag blijft overeind 
De verklaringen van de aanwezige Assembleeleden, de voortijdige verdaging van de vergadering en de uiteenlopende beoordelingen van de noodzaak van geheimhouding laten uiteindelijk een fundamentele vraag onbeantwoord. Niet de inhoud van de geheime vergadering staat daarbij centraal – die is immers aan geheimhouding gebonden – maar de vraag of de samenleving terecht van een openbaar parlementair debat is uitgesloten.

Openbaarheid is het uitgangspunt van een parlementaire democratie. Een comité-generaal vormt daarop een uitzondering en is bedoeld voor situaties waarin openbaar beraad de staatsveiligheid, de opsporing of andere zwaarwegende wettelijke belangen daadwerkelijk kan schaden. Juist daarom rust op zowel de regering als De Nationale Assemblee de verantwoordelijkheid om overtuigend te motiveren waarom burgers van een openbare behandeling worden uitgesloten.

Wanneer achteraf meerdere aanwezige parlementariërs verklaren dat over het behandelde onderwerp geen nieuwe, niet-openbare informatie is verstrekt, terwijl anderen zich beroepen op vertrouwelijke veiligheidsinformatie zonder die vanwege de geheimhoudingsplicht te kunnen duiden, blijft de rechtvaardiging voor de besloten vergadering onderwerp van publiek debat.

De principiële vraag die na afloop van het comité-generaal blijft hangen, is daarom niet zozeer wat er achter gesloten deuren is besproken, maar of de geheimhouding in dit geval noodzakelijk was. Dat is een vraag die niet alleen de kwikkwestie betreft, maar ook de openbaarheid van het parlementaire proces en het vertrouwen van burgers in de democratische rechtsstaat.